Impressie > Vogelcursus voor visueel beperkten in Bloemendaal met IVN Zuid-Kennemerland (februari 2026)

Foto van Debby arm in arm met een standbeeld van Jac P. Thijsse. Het is een natuurlijke omgeving met bomen en struiken op de achtergrond. Het standbeeld is van brons en heet een donkergroen patina. Het is een man in een klassiek pak met een vlinderdas, bril, bolhoed en handschoenen. Hij staat in een ontspannen houding met één hand in de zak. Debby draagt een felblauwe gewatteerde jas, zwarte legging en zwarte laarzen. Ze heeft lang blond haar en draagt een bril. Debby leunt iets naar het standbeeld toe en houdt met één arm de arm van het standbeeld vast, terwijl ze glimlacht naar de camera. Ze staan langs een pad van kleine steentjes. In de achtergrond staan kale bomen en struikgewas. De lucht is lichtblauw met enkele wolken, en er is natuurlijk daglicht.

Deel dit bericht met je netwerk!

De vaste lezer zal het opgevallen zijn, deze blog is een dag later online dan gebruikelijk. Afgelopen week had ik het erg druk en had geen tijd om de eindredactie van mijn blogpost voor deze week te doen en om hem klaar te zetten in WordPress om op vrijdagavond online te gaan. Maar hieronder is hij alsnog.

 

Via een vriendin hoorde ik dat erin Bloemendaal door IVN Zuid-Kennemerland een vogelcursus werd georganiseerd voor mensen met een visuele beperking. Tijdens de middag zou je vogels leren herkennen aan hun gezang en zou er een voelsessie zijn met opgezette vogels. Dit leek mij heel interessant. Ik vroeg Joke, een vriendin, mee te gaan als mijn begeleider. Hieronder lees je mijn impressie van deze middag op woensdag 18 februari 2026.

Ontvangst

Er staat een snijdende oostenwind als een andere deelnemer, Joke en ik rond 12.20 uur staan te wachten op de ophaalauto bij station Bloemendaal. Een paar andere deelnemers besluiten te gaan lopen. Na zo een twintig minuten worden we opgehaald door Simone. Zij is IVN-vrijwilliger en een van de organisatoren van de dag.
In een paar minuten zijn we met de auto bij Thijsse’s Hof, waar de workshop plaatsvindt in het educatief centrum. Ik kende de locatie niet. In de uitnodiging las ik dat het de oudste Nederlandse heemtuin is. Een heemtuin is een stukje natuur dat speciaal is ingericht met inheemse planten en landschappen van een bepaalde streek. Het doel is om te laten zien hoe de natuur er van oorsprong uitziet én om biodiversiteit te beschermen.
Thijsse’s Hof werd geopend in 1925 en is vernoemd naar de beroemde Nederlandse natuurbeschermer Jac P. Thijsse (1865-1945). Hij opende de tuin ook. In de tuin groeien o.a. duinplanten en zitten veel vogels.
Joke zegt dat er een heel mooi toegangshek is met van die metalen krullen. Vlak na de ingang spot ze een bordje dat ons vertelt dat de tuin een rijksmonument is.
Als we het educatief centrum binnenstappen is het heerlijk warm. In de zaal waar we de workshop krijgen, staan losse tafels voor ons klaar. Er wordt koffie en thee uitgedeeld en er staan koekjes op tafel.
Rond 13.30 uur neemt Simone het woord. Zij, Wilfred en Audry zijn de organisatoren van de dag. Ik ken ze nog van de door hen georganiseerde strandbeleving in IJmuiden. Daarnaast zijn er nog een paar andere vrijwilligers.
Simone vertelt dat we eerst een presentatie krijgen van Wilfred over tuinvogels en hun geluiden. Vervolgens wordt de groep in vieren gesplitst. Twee groepjes krijgen binnen een voelsessie met opgezette vogels en de andere twee groepjes lopen een rondje door de tuin om te luisteren welke vogels er te horen zijn. Daarna wisselen de binnen- en buitengroepen. Op het eind sluiten we gezamenlijk af met een quiz.
Ik ben benieuwd naar vandaag. Ik heb ooit bij Passend Lezen een tekeningenband besteld over tuinvogels, die moet ik thuis nog maar eens bestuderen na deze middag.

Introductie tuinvogels

Wilfred neemt het woord en zal ons vertellen over 13 tuinvogels. Hij bespreekt ze van klein naar groot. Hij zal afbeeldingen laten zien, gezang laten horen en vertellen hoe ze eruitzien.

Vogel 1: Winterkoninkje

Wilfred vertelt dat het winterkoninkje een piepklein vogeltje is van ca. 9,5 cm lang. Met uitgespreide vleugels heeft het een spanwijdte van ca. 15 cm. Wat klein! Het verenkleed is lichtbruin met fijne donkere streepjes. De vogel heeft een dun, spits snaveltje waarmee hij vooral insecten eet. Kenmerkend is zijn korte staart, die bijna altijd recht omhoog staat.
Winterkoninkjes zijn sterk territoriaal: in hun leefgebied dulden ze meestal geen soortgenoten. Het mannetje bouwt meerdere nesten — vaak zes of zeven — waaruit het vrouwtje er één kiest om in te broeden. De andere nesten gebruikt hij om extra vrouwtjes te lokken. Één mannetje kan dus meerdere partners hebben.
Het winterkoninkje is een standvogel en blijft het hele jaar in dezelfde omgeving. Ondanks zijn kleine formaat heeft hij een opvallend krachtige zang. Hij behoort tot de luidst zingende vogels. Tijdens het zingen beschermt hij zijn gehoororgaan door een soort ‘oorklepje’ (een huidplooi) te sluiten, zodat het niet door zijn eigen volume wordt beschadigd.
Een handig ezelsbruggetje voor de zang: in de naam hoor je een lange, trillende “r” — winterrrrrkoninkje. Wilfred laat de zang horen.

Vogel 2: Tjiftjaf

Volgens Wilfred is de tjiftjaf een klein, treurig vogeltje dat je zelden goed ziet, maar des te vaker hoort. Door zijn olijfbruine schutkleur gaat hij op tussen de bladeren, zeker wanneer hij hoog in de bomen zit. Daar beweegt hij zich rusteloos tussen de takken, voortdurend op zoek naar kleine insecten, die zijn belangrijkste voedsel vormen.
De tjiftjaf is ca. 11 cm lang en weegt rond de 7 tot 8 gram. Op zijn kop heeft hij een vage, lichte wenkbrauwstreep boven het oog en een subtiele donkere oogstreep eronder.
Zijn naam dankt hij aan zijn zang, want hij roept ritmisch “tjif-tjaf, tjif-tjaf. Dat is een voorbeeld van een onomatopee, een klanknabootsende naam. Tussen zijn naam door laat hij vaak een zacht, bijna mechanisch rateltje horen, alsof er ergens een klein motortje draait. De tjiftjaf is meestal vanaf maart hoorbaar.
Wilfred laat het zanggeluid horen. Dat klinkt bekend.

Vogel 3: Pimpelmees

Wilfred vertelt dat de pimpelmees een klein, kleurrijk vogeltje is dat direct opvalt door zijn opvallende uiterlijk. Op zijn kop lijkt hij een felblauw “petje” te dragen, terwijl zijn wangen wit zijn en een smal zwart masker zijn ogen omlijst. De onderzijde is geel en de vleugels zijn blauw. Pimpelmezen zijn bijzonder beweeglijk en acrobatisch; ze hangen vaak ondersteboven onder takken of bladeren en bewegen snel van plek naar plek.
Ze zijn ca. 11,5 cm lang en wegen ca. 10 gram. Hun dieet bestaat voornamelijk uit insecten, zoals rupsen, maar in de winter eten ze ook zaden en vetbollen. Pimpelmezen komen veel voor in tuinen, parken en loofbossen.
Hun zang is helder en licht en wordt vaak vergeleken met een klein, zilveren belletje dat een paar keer achter elkaar klinkt. Wilfred laat het geluid horen. Ik herken er geen belletje in.

Vogel 4: Koolmees

Wilfred legt uit dat de koolmees ook een opvallend kleurrijke vogel is. Hij heeft een zwarte kop met heldere witte wangen en een gele borst en buik met een zwarte middenstreep, alsof hij een smalle stropdas draagt. Bij mannetjes is die streep duidelijk breder en hun kop oogt vaak wat glanzender dan die van vrouwtjes. De vogel is ca. 14 cm lang en weegt ca. 18 gram, waarmee het de grootste mezensoort van Nederland is. Koolmezen zijn behendig en hangen moeiteloos ondersteboven aan takken of voederplekken. Ze zijn niet schuw en laten zich zien in tuinen. Hun zang wordt vergeleken met het ritme van een fietspompje: een helder, herhaald ‘ti-tu, ti-tu, ti-tu.’ Wilfred laat het horen.

Vogel 5: Roodborstje

Wilfred beschrijft de roodborst als een klein, rond vogeltje met een opvallende oranjerode borst en keel die doorloopt tot in het gezicht. Die kleur wordt vaak “rood” genoemd, maar is in werkelijkheid meer oranje; toen de vogel zijn naam kreeg, bestond het woord oranje nog niet. De rug is olijfbruin en de buik licht tot witachtig. De donkere ogen zijn groot en glanzend, waardoor hij een alerte uitstraling heeft.
Jonge roodborstjes zien er anders uit: zij missen de rode borst en zijn aan de voorkant bruin met lichte vlekjes. Roodborsten reageren fel op de kleur rood en als de jongen rood zouden zijn zouden ze ze doden.
De soort staat bekend als sterk territoriaal. Indringers worden fanatiek verjaagd. Ze staan vrij hoog op de poten, zijn nieuwsgierig van aard en laten mensen vaak dichtbij komen. Je vindt ze in tuinen, parken en bossen. Hun voedsel bestaat vooral uit insecten en andere kleine ongewervelden, zoals wormen en spinnen, aangevuld met zaden.
Zijn territoriumroep klinkt als het tikken van twee steentjes tegen elkaar. De zang is helder en vloeiend, met snel op elkaar volgende tonen die aan een watervalletje doen denken. Ze zingen een groot deel van het jaar, zelfs in de winter. Wilfred laat het geluid horen.
Simone merkt op dat de vogel ook te herkennen is aan de korte stiltes tussen de zangfrasen: even hoor je hem, dan valt er een pauze, en daarna begint hij opnieuw.
Een deelnemer vraagt naar de symbolische betekenis van roodborstjes bij overledenen. Audry zegt dat ze in volksverhalen worden gezien als boodschappers.

Vogel 6: Heggenmus

De heggenmus is nu al goed te horen vertelt Wilfred. Deze kleine vogel heeft een overwegend leigrijze kop en borst. De rug is bruin met fijne zwarte lengtestrepen en ook de buik is grijs van kleur. De poten zijn licht oranje tot roze. Ondanks de naam is de heggenmus geen echte mus: hij leeft vooral van insecten en andere kleine ongewervelden, terwijl echte mussen voornamelijk zaden eten. Je ziet hem meestal alleen of in kleine groepjes, zelden in grote zwermen. Hij beweegt zich laag bij de grond met een wat schuifelende, rustige manier van lopen. In deze periode begint de balts en dan laat hij zich vaker zien terwijl hij vanaf een hogere tak zingt.
De zang wordt vaak omschreven als een snel, fijn riedeltje dat een beetje pruttelend klinkt. Het doet denken aan de zang van een winterkoninkje, maar is minder luid en minder krachtig. Wilfred laat het geluid horen.

Vogel 7: Huismus

Volgens Wilfred is dit de grotere broer van de heggenmus. De vogel is ca. 15 cm lang en weegt ca. 32 gram. Hij heeft een compacte, stevige bouw met een relatief grote kop en een krachtige, kegelvormige snavel waarmee hij vooral zaden eet. Het mannetje herken je aan de grijze kruin, de kastanjebruine nek, de donkere bef en de duidelijke witte vleugelstreep; ook lijkt het alsof hij een donker masker draagt. Het vrouwtje is bescheidener gekleurd, met overwegend bruingrijze tinten en een lichte, beige wenkbrauwstreep. Het is een sociale standvogel die graag in groepen leeft en vaak dicht bij soortgenoten nestelt. Zijn roep bestaat uit tjilpende en kwetterende geluiden. Wanneer Wilfred het laat horen, klinkt het bekend.
Op de vraag waarom deze vogels tegenwoordig minder in steden te zien zijn, legt Wilfred uit dat geschikte nestelplekken schaarser worden: moderne dakpannen hebben minder ruimte eronder en veel tuinen zijn versteend.

Vogel 8: Vink

De vink is ca. 15,5 cm lang en weegt ca. 21 gram aldus Wilfred. Het is een slanke vogel met een vrij lange staart, waarbij de buitenste staartpennen wit zijn. Ze hebben twee opvallende witte vleugelstrepen. In broedkleed is het mannetje kleurrijk: hij heeft een blauwgrijze kruin, een donker voorhoofd, warm roodbruine tot wijnrode wangen en borst, en een groenige stuit. Het vrouwtje is soberder gekleurd in bruin- en grijstinten en wordt daardoor soms verward met een mus.
De vink is een levendige standvogel die vaak op de grond naar voedsel zoekt. Bij het opstijgen vliegt hij meestal recht omhoog en ook vliegt hij recht omlaag. Het zijn vooral zaadeters, maar in het broedseizoen vullen ze hun menu aan met insecten. De zang staat bekend als de typische vinkenslag, die eindigt met een kenmerkende uithaal. Ttiruiet. Wanneer Wilfred het geluid laat horen, klinkt het vertrouwd, al volgen de vogelgeluiden elkaar zo snel op dat ik het meeste alweer kwijt ben.

Vogel 9: Spreeuw

Wilfred vertelt dat een spreeuw ca. 21 cm lang is en ca. 79 gram weegt. In de zomer heeft hij een opvallend glanzend verenkleed met een metaalachtige gloed in groen, blauw en paars. In de winter is hij soberder en matter van kleur, met een meer gedempte uitstraling. Het vrouwtje is wat minder opvallend gekleurd, met bruingrijze tinten.
Spreeuwen leven vaak in grote groepen. De soort heeft het lastiger gekregen doordat nestelplekken steeds schaarser worden. Je ziet ze vaak op de grond, waar ze rondstappen en voedsel zoeken. Ze komen voor in halfopen landschappen, tuinen, parken en stedelijke gebieden. Hun menu is gevarieerd: insecten, wormen, fruit en bessen.
Hun geluiden zijn divers: naast klikkende en sissende tonen kunnen ze verrassend goed andere vogels nabootsen. Wanneer Wilfred een opname laat horen, vallen vooral de vele verschillende klanken op — het tikkende geluid klinkt meteen vertrouwd.

Vogel 10: Zanglijster

Volgens Wilfred is ook de zanglijster een uitstekende imitator. Door zijn bescheiden kleuren valt hij weinig op: de rug is bruin tot olijfbruin en de crèmekleurige borst is bedekt met donkere, pijlvormige vlekken. Onder de vleugels zie je bruin tot okergeel. De snavel is recht en donkergrijs, en rond het oog ligt een subtiele, bleke ring. Een volwassen exemplaar is ca. 23 cm lang en weegt ca. 68 gram.
Het broedseizoen kondigt zich vroeg aan: soms is de eerste zang al in december te horen. In de maanden daarna zingt hij vaak vanaf een hoge plek, zoals een boomtop of dakrand. Op het menu staan regenwormen, bessen en slakken met een huisje. Die laatste kraakt hij open door ze tegen een steen te slaan. Tijdens het foerageren is hij veel op de grond te vinden.
De zang bestaat uit korte motieven die een paar keer achter elkaar worden herhaald voordat er een nieuwe reeks volgt. Wilfred laat de zang horen.

Vogel 11: Merel

‘De merel hoort tot de lijsterachtigen en je kunt hem zien als een grotere, forser gebouwde verwant van de zanglijster,’ zegt Wilfred. Het mannetje is diepzwart met een opvallend oranjegele snavel en een bijpassende oogring. Het vrouwtje heeft een meer bruine kleur en een lichtere, subtiel gevlekte borst. Jonge merels zijn gevlekt, wat voor extra camouflage zorgt.
Merels hebben een relatief lange staart. Ze zoeken hun voedsel vooral op de grond: regenwormen, insecten, bessen en ook slakken staan op het menu. Tijdens het foerageren bewegen ze vaak met korte sprongetjes door het gras, waarbij ze hun kop schuin houden.
Hun alarmroep is luid en scherp, duidelijk anders dan de zang. Je vindt merels in allerlei leefgebieden, van bossen tot tuinen en parken. In de vroege ochtend, vaak al rond vier à vijf uur, is de merel een van de eerste vogels die je hoort, en hij houdt dat vol tot laat in de avond. Ter illustratie laat Wilfred het geluid horen.

Vogel 12: Turkse tortelduif

Volgens Wilfred valt de Turkse tortel direct op door de zwarte halsband met een smalle witte rand. De vogel heeft overwegend een lichte beige tot zandgrijze lichaamskleur. De bovenzijde (rug en vleugels) is iets donkerder grijsbruin, terwijl borst en buik juist wat lichter en zachter van tint zijn.
De vogel heeft een slanke bouw, is ca. 32 cm lang en weegt ca. 150 gram. De iris is donker en contrasteert met de lichte kop. De staart is vrij smal; in vlucht zie je een opvallende witte eindband en aan de vleugels donkerdere handpennen tegen een lichtere ondervleugel.
Ze zijn niet schuw en zitten vaak in tuinen en parken. Het nest is eenvoudig en losjes opgebouwd. Turkse tortels leven vooral in stedelijke en halfopen gebieden. Ze eten voornamelijk zaden en granen, aangevuld met kleine vruchten. De broedperiode is lang en kan bij zachte winters ook in de koudere maanden doorgaan.
Het geluid bestaat uit driemaal herhaald gekoer. Wilfred laat dit roepen horen.

Vogel 13: Houtduif

Wilfred beschrijft de houtduif als een forse, stevig gebouwde duif. Het verenkleed is overwegend blauwgrijs. De borst heeft een warme roze tot wijnrode tint en de ogen zijn licht van kleur, vaak gelig. Een volwassen houtduif wordt ca. 43 cm en weegt rond de 500 gram.
Kenmerkend zijn de witte vlekken aan beide zijden van de hals. Hiermee onderscheidt hij zich van andere duivensoorten. In vlucht zie je een brede witte band op de vleugels. De snavel is geelachtig met een roze tot roodachtige basis.
Houtduiven komen veel voor en zitten vaak in groepen, vooral buiten de broedtijd. Een deel van de populatie trekt of zwerft in de herfst en winter, terwijl veel vogels hier het hele jaar blijven.
De roep is laag en enigszins schor, met een ritmisch ‘roe-roe-roekoe’. Veel mensen herkennen er een zinnetje in: ‘Ik ben een houtduif.’
Wilfred laat de roep ter illustratie horen.
Iemand in de zaal vult aan dat je bij deze duivensoort de vleugelslag duidelijk hoort.

Afronding

Dit waren de 13 vogels. Wilfred geeft de tip om de app Merlin Bird te downloaden. Hiermee kun je vogelgeluiden die je hoort herkennen. Ook zitten er geluiden van vogels in de app, zodat je ze kunt beluisteren en oefenen.
Simone stelt de groep gerust dat het niet gek is als je niet alle 13 vogels meteen herkent. Ze heeft ooit gelezen dat je slechts drie nieuwe vogelgeluiden per jaar leert.

Voelsessie

Rond 14.20 uur wordt de groep in vieren gesplitst. Samen met twee andere visueel beperkten en onze begeleiders blijf ik in deze ruimte. We gaan om een tafel zitten met opgezette vogels. Simone schuift bij ons aan.
Er zijn ook een verslaggever en een fotograaf aanwezig van het Haarlems Dagblad.

Opgezette vogels

We bekijken eerst alle opgezette vogels. Ik bevoel ze één voor één en Joke vertelt wat er te zien is. Het zijn:

  • Ekster: Hij is ca. 45 cm lang. De buik, schouders en een deel van de vleugels zijn helder wit. De kop, rug, vleugels en staart zijn zwart. Het zwart glanst in het licht. Die glans kan groen, blauw of paarsachtig lijken. Hij heeft een slanke bouw en een lange, rechte staart die bijna de helft van de lengte van de totale vogel omvat. De snavel is recht, stevig en zwart. Ook de poten zijn zwart. De kop is vrij rond en de ogen zijn donker. Hij heeft grote vleugels.
  • Houtduif: Dit is de grootste vogel die Wilfred besprak. Die herken ik nog uit de tijd dat je de duiven op de Dam in Amsterdam nog mocht voeren, en mijn opa was duivenmelker. De afmeting en vorm kende ik dus redelijk goed. Iemand wijst me op de snavel, die laat zien dat het een zaadeter is.
  • Kauw: Hij is ca. 35 cm lang. Kleiner dan ik had verwacht. Het is een kraaiachtige met een compacte bouw. De kop en borst zijn zwart, en de nek en het achterhoofd grijs. Het lijkt alsof hij een grijze kraag draagt. De ogen zijn lichtgrijs tot bijna wit. Dat contrasteert met de donkere kop. De snavel is kort, stevig en zwart. De staart is vrij kort en recht.
  • Spreeuw: Ik vind de vogel verrassend klein.
  • Buizerd: De roofvogel is ca. 55 cm lang. Hij heeft een stevige, ronde bouw met brede vleugels en een relatief korte, waaierachtige staart. De kop is vrij groot en rond. De snavel is kort, sterk en naar beneden gebogen. De poten zijn vrij stevig en hebben scherpe klauwen. Hij is gemêleerd: bruin, beige en oranje. Joke noemt het een legerkostuum. Simone zegt dat het de meest voorkomende roofvogel in Nederland is. Ze laat het geluid horen, wat een beetje als een kat klinkt.

 

Vleugels, veren en vliegen

Simone vertelt hoe vogels kunnen vliegen. Om te kunnen vliegen is het belangrijk dat de botten licht maar stevig zijn. Vogels hebben holle botten. Om ze sterk te maken, hebben hun botten dunne dwarsverbindingen. Ze geeft een schouderbot van een buizerd door. Dat is heel licht. Ook geeft ze een vleugelbot door. De snavel is ook licht; tanden zouden zwaarder zijn.
Simone geeft een vleugel van een houtduif door, zodat we kunnen voelen hoe een vleugel in zijn geheel in elkaar zit. Ze legt uit dat vogels vier soorten veren hebben:

  1. Staartveren: Deze zijn stevig. Je vindt ze vaak op de grond.
  2. Slagpennen: Stevige, dikke veren met een dikke buis. Hier zetten ze kracht op bij het vliegen.
  3. Dekveren: Kleinere veren die de vleugel bedekken en helpen water eraf te laten glijden.
  4. Donsveren: Kleine, zachte veren die zorgen voor warmte.

Simone geeft voorbeelden door van verschillende soorten veren. Ze legt uit dat vogels op diverse manieren vliegen. De houtduif vliegt snel met duidelijk hoorbare vleugelslagen, terwijl andere vogels, zoals de buizerd, meer zweven en gebruikmaken van thermiek. Roofvogels, zoals torenvalken, kunnen bidden: met hun vleugels zo snel slaan dat ze op één plek in de lucht blijven hangen. Kolibries kunnen dat ook.
Ze vertelt verder: ‘Vleugels slijten, daarom vind je veren op de grond. De meeste zangvogels en gewone vogels verliezen hun veren om de beurt. Eenden verliezen al hun veren tegelijk. Dan kunnen ze een paar weken niet vliegen en zijn ze extra kwetsbaar. Ze verstoppen zich in die tijd.’
Er gaat een pauwenveer rond, die pauwen gebruiken om te pronken. Hij is langer dan ik me kan herinneren. Volgens Joke zijn de veren gekleurd, maar er bestaan ook witte. Ik merk op dat de veer wat versleten is; hij is vaak bevoeld. Ik vraag of ze altijd hun veren omhoog hebben staan. Joke legt uit dat dat alleen in het voorjaar gebeurt, als ze indruk willen maken.

Weetjes

Simone deelt wat weetjes over vogels en veren.

  • Veren isoleren vogels. Behalve bij de Aalscholver. Die zie je soms staan met de vleugels wijd, om ze te laten drogen.
  • Poetsen is belangrijk. Om de vleugels schoon en isolerend te houden, geven vogels zichzelf een poetsbeurt. Ze hebben een klier waar een vettig smeersel uitkomt. Daarmee blijft hun verenkleed waterafstotend en isolerend. Soms nemen ze ook een stofbad, zodat hun veren niet te vet worden.
  • Stofbaden helpen ook tegen parasieten. Vogels nemen soms ook een bad in een mierenhoop. De mieren geven stoffen af die werken als een soort natuurlijke pesticide.
  • De meeste vogels vliegen niet hoger dan 150 meter boven de grond. Ze kunnen echter veel hoger. Trekvogels vliegen vaak hoog: ganzen bijv. op ca. 7,5 km hoogte, grutto’s en wulpen op ca. 6 km. Gierzwaluwen en kieviten vliegen meestal op rond 1.800 meter.
  • De snelheid waarmee vogels vliegen verschilt. De Huismus gaat ca. 40 km p/u, de Pimpelmees rond 30 km p/u. De Slechtvalk is de snelste vogel ter wereld en kan in een duikvlucht tot wel 200 km p/u halen.
  • Vogels kunnen best oud worden. De koolmees kan 12 jaar worden, maar de meesten halen die leeftijd niet door predatie of ongelukken, zoals verkeer. Een papegaai kan rond de 80-100 jaar worden. Dankzij ringen kunnen onderzoekers tegenwoordig precies meten hoe oud vogels worden.

 

Snavels

Simone vertelt iets over snavels. Vogels hebben verschillende soorten snavels:

  • Kegelvormige snavel (zaadeter): Om zaden en pitten te kraken. Bijv. vink en huismus.
  • Lange, spitse snavel (insecteneter): Om in spleten, schors of bloemen naar insecten te zoeken. Bijv. spreeuw.
  • Haaksnavel (roofvogel): Hij vangt o.a. muizen en kleine vogels, waarna hij ze met zijn snavel in stukken scheurt en opeet.
  • Heel lange snavel (weidevogels/watervogels): In Nederland zijn veel weidevogels bekend om hun lange, dunne snavels. Daarmee pikken ze wormen en kleine diertjes uit de modder in laag water. Simone geeft als voorbeeld de schedel van een wulp door. De snavel is enorm lang en wijst naar beneden. Ze legt het ezelsbruggetje uit: ‘Een wulp wijst naar zijn gulp.’ Andere voorbeelden zijn de tureluur en de grutto.

 

Eend en meerkoet

Simone geeft een opgezette mannetjes wilde eend door. Ik voel meteen de Donald Duck-bek. Ik heb een tijd geleden al een opgezette eend gezien tijdens een rondleiding in het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam, dus ik geef hem snel door.
‘Het is de meest voorkomende eend in Nederland, zegt Simone, ‘maar hij heeft het steeds moeilijker: er zijn steeds minder paartjes. De poten zitten iets achter het zwaartepunt van de eend, waardoor hij makkelijker kan drijven en waggelen. Ze hebben grote zwemvliezen. Bij gondeleenden, zie je dat ze duikelen met de kop in het water om waterplanten te eten, terwijl hun kont omhoogsteekt.’
Op mijn verzoek pakt Simone een opgezette meerkoet. Ik kom ze vaak tegen tijdens het kajakken en ben benieuwd hoe ze eruitzien. Het is een kleinere vogel dan ik had gedacht. Kleiner dan de wilde eend. Hij heeft een korte, stevige snavel die iets spits toeloopt. De veren zijn donkergrijs tot zwart met een wit voorhoofdsschild. De poten zijn lang en dun, en aan de tenen zitten lobben (=flexibele flapjes huid) i.p.v. zwemvliezen zoals eenden hebben. De snavel is korter dan ik had verwacht.

Rondje door de tuin

Om 15.00 uur komen de andere groepen binnen. Nu is het onze beurt om buiten een rondje te lopen. Samen met een ander groepje lopen we met Wilfred en Jan naar buiten.
Wilfred wijst ons buiten op de maretak/ mistletoe. Hij legt uit dat het een halfparasiet is: de plant zet zijn wortels vast in de sapstroom van de boom, maar maakt zelf ook voedsel met zijn bladeren, waardoor de boom meestal niet doodgaat. De maretak groeit als een ronde, bolvormige struik hoog in een boom. Hij heeft dikke, leerachtige groene blaadjes en in de winter witte, plakkerige besjes.
Iets verderop wijst Wilfred op sneeuwklokjes en winterakoniet. Van de laatste heb ik nog nooit gehoord. Ze zijn felgeel en lijken een beetje op kleine anemonen. Ze groeien laag bij de grond en hebben smalle groene blaadjes als een kraagje onder de bloem.
Als ik een sneeuwklokje voel, merk ik dat het een klein wit klokje is dat naar beneden hangt.

Luisteren

De twee groepen splitsen hier. Joke en ik gaan samen met een andere deelneemster en haar begeleidster mee met gids Jan.
We staan stil om te luisteren. Af en toe hoor ik een korte roep van maar één toon. Jan vertelt dat het een vink kan zijn, maar het kan ook een koolmees zijn. Die kunnen wel vijftig verschillende geluiden maken; een echte kenner herkent ze allemaal. Iemand hoort een bonte specht, maar dat geluid heb ik gemist.
Het is koud, met een oostenwind van kracht 4. We horen weinig vogels; volgens Jan is dit niet het beste tijdstip om vogels te horen. Het kan het best in de vroege ochtend of avond. Joke vraagt of we zelf kunnen fluiten om een roep uit te lokken. Jan zegt dat dat niet wenselijk is, omdat je de vogels dan stoort.

Boomklever en boomkruiper

Iets verder staan we weer stil. Jan wijst ons op de roep van een boomklever. Het klinkt een beetje hoog en schel, als een kort “tsie-tsie”, en hij kan volgen Jan ook een roep maken die klinkt als een telegraaf.
De begeleidster van de andere vrouw spot een vink en twee eekhoorns in een boom. Joke ziet de eekhoorns van tak naar tak springen. We horen opnieuw de boomklever. Volgens Jan is deze vogel iets blauwachtig, terwijl de boomkruiper bruin is. De boomkruiper kruipt alleen omhoog, terwijl de boomklever ook omlaag kan kruipen. Als de kruiper boven is, vliegt hij weg. Jan hoort nu ook een bonte specht.

Veren en planten onderweg

Langs het pad ziet Jan veren van een duif, waarschijnlijk gepakt door een roofdier. Hij wijst ons ook op gagel. Het is een lage struik met smalle, lancetvormige bladeren die aan de bovenkant donkergroen en aan de onderkant wat lichter zijn. De takken zijn bruin en dun, met kleine, ronde bloemknopjes. De plant is compact en bossig. Gagel werd volgens Jan vroeger gebruikt om bier smaak te geven. Jan laat ons een knopje plukken en breken. Ik ruik er niets aan, maar volgens Jan ruikt het zoetig. Joke vult aan dat gagel soms als versiering wordt gebruikt in een bos tulpen.

Watervogels

Jan stopt bij water. Volgens hem is dit kwelwater dat omhoogkomt uit de duinen, van Katwijk tot Alkmaar ligt een grote bel water onder de grond. Aan de randen komt het omhoog, zoals hier. Het lijkt vlekkerig alsof er olie op het water ligt, maar het is juist schoon. De vlekken komen van ijzeroxide in de grond, dat een chemische reactie geeft en voor een blauwe zweem over het water zorgt.
Iets verderop wijst Jan op mannetjeseenden in het water. Soms zitten er meerdere mannetjes bij één vrouwtje. Er zijn ook meerkoeten, die hebben een witte snavel, en waterhoentjes, die hebben een rode snavel. Hier zou ook een ijsvogeltjespaartje zitten, maar we zien ze nu niet.

Koolmees

Verderop laat Jan ons langs het pad een grote kaardenbol voelen. Het is een hoge plant met een lange, stevige steel en lange, smalle bladeren die stekelig aanvoelen. Bovenaan, ter hoogte van mijn gezicht, zit een langwerpige, eivormige bol vol scherpe stekels. Die bol voelt hard en prikkerig aan. Later dit jaar bloeien er volgens Jan kleine paarsachtige bloemetjes rondom de bol. Jan zegt dat de bol vroeger gebruikt werd om wol te kaarden. Ondanks Jans waarschuwing prik ik me aan de stekels.
We luisteren even en Jan hoort in de verte een koolmees. Ik krijg koude handen van de wind; ik ben mijn handschoenen binnen vergeten.

Standbeeld van Jac P. Thijsse

Jan stopt bij een levensgroot bronzen standbeeld van Jac P. Thijsse dat uitkijkt over een vijver. We mogen het aanraken. Hij draagt een bril, vlinderdas en een hoed met brede rand. Zijn grote oren vallen me op, en volgens Joke heeft hij een buikje. Hij heeft een dikke snor en is iets kleiner dan ik. Het beeld is zo geplaatst dat je het een arm kunt geven. Joke maakt een foto van mij met Jac.
In de ene hand zit een gaatje waarin mensen een bloem kunnen steken. Het standbeeld is gemaakt door Jolanda Prinssen. Jac P. Thijsse stierf tijdens de Tweede Wereldoorlog aan een ziekte.

Terug naar de educatiezaal

Op de weg terug wijst Jan nog op kardinaalsmuts en hulst. De kardinaalsmuts had ik al eens gezien tijdens een tandemtocht met Oogvereniging Noord-Holland door het Noord-Hollands Duinreservaat en hulst ken ik van kerststukjes.
Iets verder plukt hij een takje van sneeuwbes. Het is een lage, bossige struik met dunne takken en kleine ovale bladeren. Aan de takken groeien ronde, witte besjes. De besjes zitten vaak in kleine groepjes langs de takken en vallen op tegen het groen van de bladeren. Jan geeft een bolvormig besje door. Iemand weet dat dit vroeger wel eens met een buis werd weggeschoten als spel.
Iets verder wijst Jan naar eikvaren en op Aronskelk. De varen ken ik wel van een bosbeleving met een boswachter in Lunteren. De arendskelk heb ik nog nooit gezien. Jan zegt dat deze nog geen bloemen heeft. Hij wijst ook op moerasgaffeltandmos. Ik heb het zo koud dat ik niet de tijd neem om deze twee aan te raken.
We komen weer bij de andere groep. Wilfred laat de uiengeur van slangenlook ruiken. Ik vind het naar bieslook ruiken. Volgens hem eten veel dieren dit na hun winterslaap omdat het helpt hun maagdarmstelsel weer op gang te krijgen. Het is een lage plant met lange, smalle groene bladeren die een beetje op gras lijken.
Dan zijn we eindelijk weer in het heerlijk warme educatie centrum. Het is inmiddels 15.40 uur.

Quiz en afsluiting

Binnen krijg ik nog een kop thee. Lekker om weer op te warmen.
Ik hoor dat Passend Lezen naast de tekeningenband met tuinvogels ook een band heeft met afbeeldingen van de werking van vleugels. Die moet ik ook maar eens bestellen.
Simone en Wilfred starten een geluidsquiz met de 13 vogelgeluiden van vanmorgen. Ik vind het heel lastig. De ezelsbruggetjes hoor ik soms gewoon niet in de zang. Wilfred zegt dat je je eigen ezelsbruggetje moet zoeken. De enige die ik herken is de houtduif. We leren nog een ander ezelsbruggetje: de heggenmus klinkt als een kruiwagenwiel dat aanloopt.
Om 16.00 uur is de cursus klaar. Een deel van de groep, waaronder Joke en ik, doen nog een nazit met een drankje in een tentje in de buurt.

Wat vond ik ervan?

Ondanks dat ik uiteindelijk maar een paar vogels heb onthouden, vond ik het een erg interessante en geslaagde middag. Het programma was goed georganiseerd en zat prettig in elkaar. Het was bijv. heel fijn dat we bij het station konden worden opgehaald. Ook was er veel voelmateriaal, waardoor je als deelnemer echt de kans kreeg om dingen zelf te ontdekken. Dat maakte het leerzaam én leuk.
Daarnaast was er voldoende afwisseling in het programma: luisteren, voelen, uitleg krijgen en een stukje buiten wandelen. Daardoor bleef het boeiend en werd het geen lange zit.
Voor mij persoonlijk waren dertien vogels wel wat veel informatie. Rond vogel nummer acht merkte ik dat ik het overzicht kwijtraakte. Iets minder soorten, of misschien een korte herhaling tussendoor, zou voor mij helpen om het beter te onthouden.
Maar dat neemt niet weg dat het een boeiende en goed verzorgde activiteit was. Ik heb er veel van opgestoken en het was een plezierige middag. Ik kijk nu al uit naar de volgende activiteit van deze IVN-afdeling.

Meer weten?

Wil je meer weten over IVN Zuid-Kennemerland of wil je eens mee met een door hen georganiseerde toegankelijke natuurexcursie? Houd dan hun website in de gaten. Klik hier om naar de website van IVN Zuid-Kennemerland te gaan.

Nooit meer een Tikje Anders blog missen?

Volg Tikje Anders op social media en mis geen enkele blogupdate. Je vindt me op Facebook, Instagram en LinkedIn!

Wil je een seintje krijgen als er een nieuwe blogpost is? Vul dan je e-mailadres in onderaan deze pagina en klik op ‘Abonneren’ om updates rechtstreeks in je mailbox te ontvangen. Of volg Tikje Anders via de WhatsApp-community ‘Oog voor Elkaar’.

Deel dit bericht met je netwerk!


Ontdek meer van Tikje Anders

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

3 gedachten over “Impressie > Vogelcursus voor visueel beperkten in Bloemendaal met IVN Zuid-Kennemerland (februari 2026)

  1. Hoi Debby,
    Wat heb je dit fantastisch beschreven!!
    Het helpt mij ook bij het leren van zangvogels.

    Ik lees sowieso met veel plezier jouw nieuwsbrieven!

    Groetjes Marieke

    1. Hoi Marieke, Goed om te horen dat je er iets aan hebt. Ik blijf er slecht in. Maar de eerste vogel herken ik inmiddels: het fietspomp geluid van de koolmees.

Laat hier jouw reactie achter op bovenstaande blog