Via de toegankelijkheidsnieuwsbrief van het Rijksmuseum las ik over een gratis tastworkshop voor blinden en slechtzienden over oude munten en penningen. De workshop werd in 2025 meerdere keren gegeven bij Collectiecentrum Nederland in Amersfoort. Met een paar vriendinnen gaven we ons op. Hieronder lees je mijn impressie van de tastworkshop op woensdag 5 november 2025.
Ontvangst
Onze groep treft elkaar op station Amersfoort Vathorst. We zijn met z’n zessen. Hedda is blind en is samen met haar goede vriend IJsbrand. Lindsey is zeer slechtziend en wordt begeleid door Carole. Ik heb mijn vriendin Ria weer meegenomen.
Collectiecentrum Nederland (CC NL) ligt vlak naast het station en bestaat sinds 2021. Zij zorgen voor het beheer en behoud van de rijkscollecties van het Nederlands Openluchtmuseum, Paleis Het Loo, het Rijksmuseum en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is een plek voor onderzoek, uitwisseling van expertise en het uitlenen van topwerken.
Rond 13.30 uur worden we bij de receptie vriendelijk ontvangen. We worden verwezen naar kluisjes voor onze tassen en naar de toiletten. Daarna krijgen we van Manouk Medewerker Programmering Toegankelijkheid, drinken aangeboden in de kantine. Het is rustiger dan ik had verwacht. Ik dacht dat het een soort museum was, maar het blijkt een depot te zijn. Ik vraag me af of er meer deelnemers aansluiten bij de tastworkshop, of dat we met ons zessen blijven.
Iets voor 14.00 uur worden we opgehaald door Jan Pelsdonk, conservator geschiedenis. Hij verzorgt vandaag de workshop. Al snel blijkt dat wij de enige deelnemers zijn. Wel gaat Luca, een stagiair van Jan, met ons mee, evenals Manouk.
Jan leidt ons naar een grote ruimte met in het midden tafels die in een blok aan elkaar zijn geschoven. De ruimte is ruim, maar er zijn nauwelijks echo’s. We mogen plaatsnemen aan de tafels. We doen een kort voorstelrondje en Manouk vertelt kort iets over het depot. Elk jaar hebben ze meerdere tastworkshops voor blinden en slechtzienden met elk jaar een nieuw thema.
Jan vertelt dat hij ons op de tast meeneemt in de geschiedenis van de numismatiek. Dat is de wetenschap die zich bezighoudt met munten en penningen. Aan de hand van munten uit de tijd van de Romeinen tot nu gaat hij ons meenemen in de ontwikkeling van het geld. Per object vertelt hij iets over materiaal, geschiedenis en gebruik. Daarna krijgt iedereen de gelegenheid de munten te voelen. Hiervoor deelt hij plastic handschoentjes uit.
Goud
Carole vertelt dat zij onlangs bij De Nederlandsche Bank is geweest, en zo komt ons gesprek op goud. Jan legt uit dat De Nederlandsche Bank tegenwoordig een goudvoorraad heeft van ca. 612 ton. Dat klinkt als enorm veel, maar in wereldwijd perspectief valt het mee. Als je al het goud dat ooit is gewonnen in de wereld bij elkaar zou leggen in één blok, met een grondvlak zo breed als de Domtoren, dan zou die stapel slechts ca. 20 meter hoog zijn. Dat is verrassend weinig.
Vlak vóór WO II, vanaf 1939, begon De Nederlandsche Bank met het in veiligheid brengen van de goudvoorraad. Door de dreiging van een Duitse inval werd een groot deel van het Nederlandse goud ondergebracht in o.m. Engeland en de Verenigde Staten. Op 1 mei 1940 bevonden zich in Nederland nog ca. 5.000 goudbaren, elk met een gewicht van ca. 13 kilo. In de dagen daarna, vlak vóór en tijdens de Duitse inval op 10 mei 1940, werd ook dit laatste goud naar Engeland verscheept. Als dat niet was gebeurd, zou deze voorraad vrijwel zeker in Duitse handen zijn gevallen.
Tegenwoordig ligt de Nederlandse goudvoorraad verspreid over meerdere landen. Ca. een derde ligt opgeslagen in Nederland, in de kluizen van De Nederlandsche Bank in Zeist, een derde bevindt zich in New York, en de rest ligt opgeslagen in o.m. Londen en Canada. Die spreiding is bewust gekozen, om risico’s te beperken en de goudvoorraad ook in crisistijd toegankelijk te houden.
Denarius (Romeinse tijd)
We krijgen de munten één voor één aangereikt in een bakje. We beginnen met Romeinse munten van ca. 2 cm in doorsnee. We hebben allemaal een net iets andere munt. Het depot beschikt over een kleine collectie Romeinse munten. Deze munten zijn in de 19e-eeuw aan het museum geschonken.
Jan vertelt dat de Romeinen bijna vierhonderd jaar hetzelfde type munten sloegen. Interessant! Ik heb een bronzen Romeinse munt thuis, maar heb nooit onderzocht van wanneer die is. Luca zegt dat je sites hebt o.a. Online Coins of the Roman Empire en Roman Provincial Coinitch, waarop je kunt zien van wanneer jouw munt is. Ik ga het eens uitzoeken.
Jan zegt dat voor ons een zilveren denarius ligt. De denarius was dé Romeinse munt. Op de ene zijde staat de keizer, de machthebber, en op de andere zijde een personificatie: een beeld van hoe de keizer zichzelf wilde presenteren. Dat kon bijv. een overwinning zijn, verbeeld door Victoria, of een afbeelding die benadrukte dat hij de pater familias was.
Met één denarius kon je zo’n 25 kippen kopen. Ik heb wel eens gelezen dat één denarius het dagloon voor een soldaat was.
De Romeinen gebruikten munten van koper, zilver en goud. De gouden aureus had hetzelfde formaat als de denarius die wij nu in handen hebben, maar was uiteraard veel meer waard. Daarnaast waren er munten, zoals de As (koper of brons), dupondius (brons) en sestertius (geelkoper).
De denarius is klein, dik en niet helemaal rond. Dat komt doordat de munt werd geslagen met twee stempels. Het onderste stempel werd in een aambeeld geplaatst, het bovenste stempel werd los erboven gehouden. Tussen beide stempels legde men een zilveren plaatje. Op de bovenste stempel werd een harde klap gegeven. Het zilver vervormde en werd naar buiten gedrukt, waardoor de munt niet perfect rond werd.
Ik voel ook dat de randen dunner zijn dan het middengedeelte. Luca vertelt dat je valse munten vaak herkent, omdat die juist mooi rond zijn, doordat die werden gegoten i.p.v. geslagen en de belettering is minder scherp.
- Lindsey heeft een denarius uit de Romeinse Republiek (509 v.C. – 27 v.C.). Op de voorzijde staat Roma, de stadsgodin, met een grote helm. Op de keerzijde staat een quadriga: een wagen met twee paarden.
- Hedda heeft een denarius uit de tijd van keizer Augustus (63 v.C. – 14 n.C.), die regeerde van 27 v.C. – 14 n.C. Op de achterkant staan zijn stiefzonen Gaius en Lucius, zijn beoogde opvolgers. Zij overleden voordat zij meerderjarig werden.
- Ik heb een denarius uit de 3e eeuw n.C., met keizer Caracalla (188 n.C. – 217 n.C.), die regeerde van 198 n.C. tot 217 n.C. Op de achterzijde staat een staande Jupiter.
Ik voel dat er een afbeelding op staat, maar kan niet onderscheiden wat het precies is. Onze begeleiders leggen aan ons uit wat er op de munten te zien is. Zij doen dit alle drie tegelijkertijd omdat we allemaal een net andere munt hebben. Voor mij wordt het daardoor al snel warrig. Jan praat ondertussen ook, en ik raak het overzicht kwijt. Wie heeft welke munt? En wat staat daarop?
We geven de munten aan elkaar door, zodat iedereen alle drie kan bekijken. We spreken af dat we bij de volgende munten eerst Jan aan het woord laten, voordat iedereen gaat voelen en overleggen.






Groot (14e eeuw)
We krijgen weer allemaal een andere munt. Jan vertelt dat in de middeleeuwen munten nog steeds op dezelfde manier geslagen werden als in de Romeinse tijd. Ik merk dat deze munt groter en dunner is dan de denarius. Jan waarschuwt dat ze breekbaar zijn: dus buig ze niet.
Jan legt uit dat het middeleeuwse Nederlandse munten zijn, van rond 1400. In die tijd werden munten steeds belangrijker voor de handel. Er was ook een tekort aan zilver, waardoor munten werden omgesmolten en er koper aan werd toegevoegd om nieuwe munten te maken. Soms, bijv. bij oorlog of geldgebrek, gebruikten lokale heren stiekem minder zilver, zodat de munten minder waard werden.
Muntenkenners zien aan de grootte, dikte en gewicht van een munt uit welke periode hij komt. Op munten staat meestal wie de munt heeft uitgegeven. Het muntrecht was voorbehouden aan vorsten, die hun naam of wapen op de munt lieten zetten. Vanaf ca. 1475 verschenen ook jaartallen op munten. Daarvoor stonden vaak alleen de regeerperiodes van vorsten vermeld. Een jaartal geeft echter niet altijd precies aan wanneer de munt is geslagen; het kan ook het toestemmingsjaar zijn voor een bepaalde emissie, die soms 20 jaar in gebruik bleef. Samen helpen deze gegevens bij het dateren van een munt.
Op middeleeuwse munten in Europa staat vrijwel altijd een kruis afgebeeld, als christelijk symbool.
De munt die wij in handen hebben heet een groot en heeft gotisch schrift. Een groot had de waarde van ca. een halve stuiver in die tijd. In de middeleeuwen hadden munten vaak mooiklinkende namen, zoals bijv. de krabbelaar, waarop een grote adelaar met krachtige klauwen stond afgebeeld.
- Hedda heeft een groot uit Utrecht.
- Lindsey heeft een groot uit Holland, met graaf Willem erop.
- Ik heb een groot uit Luxemburg, met een Hollands Beijers wapenschild.


Vijfde zilveren Filipsdaalder (16e eeuw)
We krijgen een nieuwe munt, die groter en dikker is dan de vorige. Jan vertelt dat er rond 1475 grote zilvervondsten werden gedaan in Duitsland. Daardoor kwamen nieuwe mijnbouwgebieden beschikbaar. Vanaf dat moment konden ze voor het eerst grote, dikke zilveren munten slaan. Deze munten werden thaler genoemd. De naam thaler, daalder en later dollar zijn allemaal verwant en verwijzen naar dezelfde munt. De productie van de daler begon rond 1475 in Duitsland.
Voor ons liggen vijfde zilveren Filipsdaalders, geslagen rond 1550. Omdat er in deze periode meer zilver beschikbaar was, waren deze munten lager in waarde dan de oorspronkelijke dalers. De originele daalder was vijf keer zo groot en dik als deze munt.
Ik voel dat de afbeelding op deze munt duidelijker en iets verhoogd is. Bij munten ligt de afbeelding meestal vlak, zodat ze stapelbaar blijven, wat het lastig maakt de details te voelen.
Op deze drie munten staat aan de ene kant het portret van Filips II (1527-1598) met zijn titels, zoals Koning van Spanje, en op de andere kant zijn wapenschild met het devies: ‘De Heer is mijn helper’. Onder Filips II werden in al zijn landen gelijke munten geslagen, maar ieder munthuis voegde een klein herkenningsteken toe.
De munten werden, net als bij de Romeinen, geslagen met stempels.
Die van mij komt uit 1571. Van wanneer die van Hedda en Lindsey zijn weet ik niet.


Noodmunten
We krijgen een nieuwe zilveren munt. De mijne is vierkant. Jan vertelt dat munten nooit gepoetst moeten worden. Poetsen beschadigt het metaal; er ontstaan kleine krasjes en zelfs een munt die ooit in topconditie was, kan daardoor plotseling maar een tiende van zijn oorspronkelijke waarde waard zijn.
We hebben allemaal een daalder voor ons liggen, maar allemaal uit een iets andere periode. Aan de ene kant staat een afbeelding, de andere kant is vlak. Het zijn noodmunten uit de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Noodmunten werden gemaakt wanneer er geen officieel geld beschikbaar was, bijv. wanneer een stad werd belegerd. De soldaten die de stad verdedigden, moesten betaald worden.
Als er geen geld beschikbaar was, vroeg men inwoners zilveren voorwerpen in te leveren, zoals kandelaars, schalen of bokalen. Voor elk ingeleverd voorwerp kregen de inwoners een bon met het gewicht van het zilver. Al het ingeleverde zilver werd omgesmolten tot platen, waaruit rechthoeken of ruiten werden gesneden. De lokale zilversmid bracht merkjes aan ter garantie dat het echte munten waren en vermeldde de waarde.
Als de stad niet werd ingenomen, kregen de inwoners de waarde van het zilver terug. Bij onderzoek blijkt vaak dat er ook wat goud in de munten zit, omdat sommige siervoorwerpen verguld waren en dat mee werd gesmolten.
Er was een verschil tussen handelsmunten en munten voor lokale circulatie. Munten die in de stad werden gebruikt om bijv. brood te kopen, hadden weinig edelmetaal en een lage waarde, terwijl handelsmunten veel edelmetaal bevatten, zodat ze over de grens werden geaccepteerd. De lokale vorst bepaalde hoeveel edelmetaal een munt moest bevatten en welke waarde eraan verbonden werd. In die tijd waren er in Europa ontzettend veel verschillende munten in omloop. Er bestonden boekjes met afbeeldingen van de munten, want valsemunterij werd streng bestraft: bezit van valse munten betekende de doodstraf.
- Lindsey heeft een noodmunt uit 1572 met het stadswapen van Haarlem (een zwaard). De munt heeft de vorm van een wiebertje, en in een hoekje zit een gaatje, waarschijnlijk later aangebracht om de munt aan een ketting te hangen als herdenkingsstuk.
- Hedda heeft een vierkante noodmunt uit 1572 met de letters ‘Mid’ (voor Middelburg) en het torentje van de stad.
- Ik heb een vierkante noodmunt uit 1672, het zogenaamde Rampjaar, uit Deventer. Het adelaarsschild van de stad is te zien. Op de achterkant staat een versje, dat later is toegevoegd:
‘Doent vrede waar, doent blank het hier, van zilver en verguld geschier, het Franse zwaard en paaps geweld, verkeerd dien glans in vierkant geld.”
Het versje verwijst naar de politieke en militaire situatie van dat jaar. 1672 werd in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795) het Rampjaar genoemd, omdat het land tegelijk werd aangevallen door Frankrijk, Engeland en de bisdommen van Münster en Keulen. Vrij vertaald betekent het versje: Vroeger, toen er vrede was, waren we rijk en glom het overal van zilver. Toen kwamen de Fransen en de papen, en daarom werd dit vierkante geld gemaakt.
Het is verbazingwekkend dat er zo’n lange tekst op de achterkant van een munt past. We geven de munten door.




Zilveren gulden (17e en 18e eeuw)
We krijgen opnieuw bakjes met munten voor ons. Jan legt uit dat Karel V (1500-1558) in 1521 een goudgulden invoerde. In 1543 kwam er ook een zilvergulden. Deze had dezelfde waarde als de goudgulden: twintig stuivers. Kort bestonden er dus zowel een goudgulden als een zilvergulden met dezelfde waarde. Dat experiment hield geen stand, omdat de waarde van goud en zilver steeds meer uit elkaar liep. Daardoor verdween de zilveren gulden weer uit het dagelijks gebruik.
In de 16e eeuw zorgde de stijgende goudprijs voor verwarring in het muntstelsel. Oorspronkelijk was 1 gulden gelijk aan 20 stuivers, maar doordat goud duurder werd, steeg de waarde van de gouden gulden naar 28 stuivers. Dat betekende dat het goud in de munt meer waard werd dan de officiële waarde van de gulden zelf. Om dit probleem op te lossen begon men in Noord-Nederland met het slaan van een nieuwe munt: de gouden florijn. Deze florijn had een waarde van 28 stuivers en sloot daarmee aan bij de nieuwe goudprijs, terwijl de gulden als rekeneenheid van 20 stuivers bleef bestaan.
Gedurende lange tijd bleef de gulden vooral een rekenmunt. Pas rond 1680 besloot de Republiek die gulden ook weer als echte, fysieke zilveren munt in omloop te brengen. Die zilveren gulden uit de tijd van de Republiek ligt nu voor ons op tafel.
De munten zijn mooi rond en hebben een lichte kartelrand. Ze zijn nog steeds dikker dan middeleeuwse munten en zorgvuldiger afgewerkt. Ze werden niet meer met de hamer geslagen, maar met een schroefpers geperst. Dat is een grote pers met boven en onder een stempel en aan de bovenkant een arm met twee contragewichten. Door een zwaai aan die arm te geven, werden de stempels met het metalen plaatje ertussen krachtig tegen elkaar gedrukt. Zo ontstond een gelijkmatige druk, waardoor de munt mooi vlak en scherp werd. Het uitstansen gebeurde binnen een ring, zodat de munt ook perfect rond werd.
Deze zilveren gulden lijkt sterk op de guldens die wij gebruikten vóór de invoering van de euro. In latere tijd werd zilver vervangen door een legering van koper en nikkel.
Jan vertelt dat we tot 1815 geen koning hadden. Daarom staat er op de guldens uit de Republiek geen vorst afgebeeld, maar de Nederlandse maagd. De Oranjes waren stadhouders, maar zij waren ondergeschikt aan de Staten-Generaal en mochten daarom niet op de munt worden afgebeeld.
De Nederlandse maagd houdt in de ene hand een lans met daarop de vrijheidshoed en leunt met haar andere hand op een boek. Met de lans beschermt zij de vrijheid van de Nederlanden, terwijl zij steunt op de Bijbel: met steun van het geloof wordt het land verdedigd. Uit deze afbeelding ontstonden ook bijnamen voor de munt. De lans werd ook wel een piek genoemd, een bijnaam voor de gulden. De vrouw werd soms ‘pop’ genoemd, wat terugkomt in de uitdrukking: “vijftig pop of een envelop”.
Jan merkt tot slot op dat de guldens die wij later gebruikten iets kleiner waren dan deze oudere zilveren exemplaren. Ik heb nog met guldens betaald en voelde dat meteen. Deze munten zijn net een paar mm groter en ik denk een mm dikker.
De gulden van Lindsey komt uit 1764. Van Hedda en mezelf weet ik niet van wanneer de munt is.



Zilveren rijder (17e en 18e eeuw)
Jan zet weer een nieuw bakje met een munt voor ons neer. Volgens hem is dit de grootste zilveren munt uit die tijd. Het gaat om een handelsmunt, die speciaal werd gebruikt voor grote handelsbetalingen. Deze munten werden in enorme hoeveelheden, soms hele scheepsladingen tegelijk, door de VOC naar Azië vervoerd om er kruidnagel en andere specerijen mee te kopen.
Hoewel de munten in de Nederlanden werden geslagen, werd er hier nauwelijks mee betaald. Ze waren daarvoor simpelweg te waardevol. De munt had een waarde van 63 stuivers.
Deze grote, dikke munten stonden bekend als zilveren rijders (ook wel dukatons genoemd). Op de voorzijde staat een ridder te paard met een zwaard. Onder het paard is een schild afgebeeld met het wapen van de provincie waar de munt is geslagen. De munten zijn fraai uitgevoerd en rijk aan details.
Op de keerzijde staat het wapen van de Staten-Generaal, vastgehouden door twee leeuwen. Daarnaast is er een Latijnse spreuk te lezen: ‘Concordia res parvae crescunt’ (=Eendracht maakt macht).
In die tijd waren er meerdere munthuizen in de Nederlanden, o.a. in Dordrecht, Hoorn, Zwolle, Leeuwarden, Groningen en Enkhuizen.
Zilveren rijders werden vooral geslagen in de 17e en 18e eeuw.
De rand van de munt is gekarteld, net als bij onze huidige munten van 10 en 50 eurocent. Die karteling diende om muntsnoeien te voorkomen: het afschrapen van een dun randje zilver. Door een vast patroon in de rand viel dit meteen op.
- De rijder van Hedda dateert uit 1739.
- De rijder die ik heb, is geslagen in 1759.
- De rijder van Lindsey dateert uit 1790.




Zilveren gulden (19e eeuw)
We krijgen allemaal opnieuw een munt in handen. Qua formaat lijkt hij op een twee-euromunt en is ongeveer even dik.
Jan vertelt dat het om zilveren guldens uit de 19e eeuw gaat. Deze munten hebben ongeveer hetzelfde formaat als de guldens die in omloop waren totdat het zilver uit de Nederlandse gulden verdween in 1967.
De 19e-eeuwse guldens bestaan uit een legering van zilver en koper, met een hoog zilvergehalte. In dit geval ca. 3/4 zilver en ¼ koper.
De munten zijn vergelijkbaar met die uit de tijd van de Republiek, met één belangrijk verschil: er staat een portret van de koning op. In 1815 kwam onze eerste koning aan de macht, Willem I (1772-1843).
De munten werden toen machinaal geslagen. Hierbij werd gebruikgemaakt van een stoommachine die de muntpers aandreef, wat zorgde voor een strakkere en gelijkmatigere afwerking dan voorheen.
Jan legt uit dat deze zilveren guldens in hun tijd dezelfde rekeneenheid en waarde vertegenwoordigden als de guldens uit de Republiek, al veranderde de koopkracht natuurlijk door de jaren heen.
Volgens Jan was de gulden die wij kennen iets kleiner en dunner dan deze 19e—eeuwse exemplaren.
- Lindsey heeft een gulden uit 1824, met koning Willem I erop. Hij regeerde van 1815 tot 1840.
- Hedda heeft een gulden uit 1829 met koning Willem I erop.
- Ik heb een gulden met daarop koning Willem II (1792-1849). Hij regeerde van 1840 tot 1849. Ik weet niet wat het jaartal op de munt is.




Dubbeltje
We krijgen de laatste munt voor ons. Het is een zilveren muntje uit dezelfde periode als de vorige, maar net iets later. Dit formaat hebben wij meegemaakt: het is een dubbeltje (10 cent). Het kleine muntje heeft een doorsnee van 15 mm. De laatste dubbeltjes werden geslagen in 2001, vlak voor de invoering van de euro. De eerste zilveren dubbeltjes dateren uit het begin van de 19e eeuw, rond 1818-1820. Het formaat is in al die tijd vrijwel onveranderd gebleven. Dit exemplaar is, net als de vroegere dubbeltjes, van zilver.
De dubbeltjes werden op dezelfde manier geslagen als de guldens die we net zagen. Jan vertelt dat de stuivers uit die tijd ongeveer een derde kleiner in diameter waren dan dit dubbeltje en ongeveer de helft wogen. Dat verbaast mij, want ik ken alleen de stuiver die groter was dan het dubbeltje.
Jan legt uit dat dit verschil komt door het materiaal. De oudste stuivers werden van zilver gemaakt. Omdat zilver een hogere waarde heeft, konden die munten kleiner en lichter zijn. Later werden stuivers van koper geslagen. Koper heeft een lagere waarde, waardoor er meer materiaal nodig was om dezelfde nominale waarde te bereiken. Daardoor werden de stuivers groter van formaat, en waren ze ineens groter dan het dubbeltje.
Welke munten er in omloop mogen zijn, wordt bepaald door de muntheer. In theorie is dat de vorst, maar in de praktijk wordt dat gedaan door onze Staten-Generaal. Zij bepalen welke munten er worden geslagen, van welk metaal, en met welk gewicht en formaat. Tegenwoordig gebeurt dat op Europees niveau. Voor de euromunten worden via de EU en de Europese Centrale Bank afspraken gemaakt over ontwerp, materiaal en afmeting. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat munten niet te veel lijken op munten met een lagere waarde uit andere landen, om misbruik en verwarring te voorkomen.
- Het dubbeltje van Hedda komt uit 1906.
- Het dubbeltje van mij komt uit 1938 en heeft op de ene kant de beeltenis van koningin Wilhelmina (1880-1962) staan. Zij regeerde van 1890 tot 1948.
- Van wanneer die van Lindsey is weet ik niet.


Papiergeld
Lindsey vraagt wanneer in Nederland voor het eerst papiergeld werd uitgegeven. Jan vertelt dat dit gebeurde in 1574, tijdens het Beleg van Leiden. Door een gebrek aan edelmetaal werd er noodgeld gemaakt van papier. Hiervoor werden bladzijden uit katholieke (paapse) bijbels op elkaar geplakt. Uit dit papier werden ronde vormen gesneden die werden voorzien van een afbeelding en tekst.
In de Franse tijd (1795-1813) werd Nederland overspoeld door Franse assignaten. Dit waren papieren waardebonnen die wij als Nederlanders verplicht moesten accepteren. In Frankrijk werden er echter zó veel van gedrukt dat ze onvoldoende werden gedekt door goud of zilver. Daardoor verloor dit papiergeld snel zijn waarde en werd het uiteindelijk vrijwel waardeloos.
Rond 1814 werd De Nederlandsche Bank opgericht en begon men voorzichtig met het uitgeven van echte bankbiljetten. Toch duurde het lang voordat papiergeld algemeen werd geaccepteerd. Pas aan het begin van de 20e eeuw raakte het gebruik ervan echt ingeburgerd. De bank stond nu garant voor de waarde van het papiergeld, en dat zorgde voor het nodige vertrouwen.
Bankbiljetten hadden in het gebruik ook niet veel nut voor de bevolking. Een tientje was in die tijd een enorm bedrag; het was een flink deel van een weekloon.
Dan mogen eindelijk de handschoenen uit. Wat een opluchting — mijn handen zijn inmiddels behoorlijk zweterig.
Jan sluit af met de hoop dat hij ons iets heeft kunnen bijbrengen over de geschiedenis van ons geld. Wij bedanken hem hartelijk voor zijn interessante en leerzame verhalen.
Afronding
Rond 15.30 uur lopen we terug naar de kantine voor nog een drankje. Er is lichtelijke verwarring als blijkt dat dit het einde van de workshop is. Online stond dat het tot 16.00 uur Duurde en dat het ook zou gaan over penningen. Manouk vertelt dat dat in eerste instantie het idee was, maar dat dat later is veranderd en blijkbaar niet is aangepast op de website.
Wat vond ik ervan?
Ik vond deze tastworkshop ontzettend interessant. Ik had met gemak nog een uur langer naar Jan kunnen luisteren. Hij vertelde rustig, duidelijk en met oog voor detail — precies de manier waarop ik informatie graag krijg.
Wat mij betreft had het over veel meer munten mogen gaan. Vooral de florijn wekte mijn nieuwsgierigheid; daarover had ik graag meer willen horen en hem zien.
Ik ben nu al benieuwd naar het onderwerp van 2026. Als dat opnieuw zo boeiend is, willen we er als groep zeker weer bij zijn.
Meer weten?
Wil je meer weten over Collectiecentrum Nederland In Amersfoort of wil je er zelf eens heen? Klik dan hier om naar hun website te gaan.
Nooit meer een Tikje Anders blog missen?
Volg Tikje Anders op social media en mis geen enkele blogupdate. Je vindt me op Facebook, Instagram en LinkedIn!
Wil je een seintje krijgen als er een nieuwe blogpost is? Vul dan je e-mailadres in onderaan deze pagina en klik op ‘Abonneren’ om updates rechtstreeks in je mailbox te ontvangen. Of volg Tikje Anders via de WhatsApp-community ‘Oog voor Elkaar’.
Ontdek meer van Tikje Anders
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Wat een werk heb je eraan gehad om deze blog te schrijven. Maar zeer goed omschreven en het was een interessante middag.