Impressie > Rondleiding tijdelijke tentoonstelling Thuis in de 17de eeuw in het Rijksmuseum in Amsterdam

Foto van het 17e-eeuwse poppenhuis van Petronella Dunois. Het is een gedetailleerd poppenhuis met drie woonlagen en meerdere kamers. De kast staat tentoongesteld in een donkere ruimte. De kast heeft twee grote houten deuren aan de zijkanten die openstaan, waardoor je de binnenkant van het poppenhuis kunt zien. De poppenhuiskast heeft gedraaide poten en staat tegen een grijsgroene muur. Op de onderste laag bevinden zich de voorraadkelder, keuken en eetkamer. Op de middelste verdieping zijn een kraamkamer met een linnenkast en ontvangstkamer te zien. De kraamkamer heeft rode wandbekleding. Bovenin zitten de turfzolder, kleerzolder en kinderkamer.

Deel dit bericht met je netwerk!

In de toegankelijkheidsnieuwsbrief van het Rijksmuseum las ik dat ze voor visueel beperkten rondleidingen organiseerden bij de tijdelijke tentoonstelling Thuis in de 17de eeuw. Ik gaf me meteen op. Loes, de tante van mijn partner, ging met me mee. Hieronder lees je mijn impressie van de rondleiding op vrijdag 2 januari 2026.

Ontvangst

Loes en ik gaan met de trein naar Amsterdam. Buiten het museum staat een flinke rij. Ook in het atrium is het megadruk. Als we de weg naar de kluisjes vragen aan een vriendelijk koppel vertellen zij dat dit een van de drukste dagen van het jaar is. Dat geloof ik meteen. De kluisjes zijn vol en voor de toiletten staat een lange rij.
Iets voor 14.30 uur melden we ons bij de Informatiebalie in het atrium. We horen daar dat we onze jassen bij een garderobe kunnen brengen. Fijn, dat scheelt slepen met je jas.
Om 14.30 stelt onze gids, Lisoek, zich voor. We zijn met een grote groep van ca. 10 mensen. Lisoek heeft vier tassen met voelobjecten bij zich. Ze deelt opvouwbare krukjes uit om op te zitten bij de stoppunten. Ik hang het draaggedeelte van de kruk over mijn schouder.
We lopen achter elkaar aan naar de Philipsvleugel, waar altijd de tijdelijke tentoonstellingen zijn. We moeten een lange trap op naar de eerste ruimte.

Zaal 1: Introductie

We beginnen de rondleiding zittend in een kring in de eerste zaal. Het is hier donker en er staat slechts één object. De gids vertelt dat we vandaag een dag meemaken uit het leven van een 17e-eeuws huishouden. Dat kan een huishouden zijn van iemand die schatrijk is of van iemand uit de middenklasse. Over het leven van arme mensen weten we veel minder; daarvan is weinig bewaard gebleven. De tentoonstelling bestaat uit negen zalen en we starten in deze zaal bij het begin van de dag: heel vroeg in de ochtend.
De zaal is bewust donker gehouden, passend bij dit tijdstip. Het vroege ochtend licht piept net door de gordijnen. Lisoek vertelt hoe men rond vier of vijf uur ’s ochtends het vuur tot leven bracht. Achter haar staat een grote open haard met een schouw en een vloer met blauwe tegels. In de haard staat een vuurstolp: een klokvormige kap van roodbakkend aardewerk met gaten. Die werd ’s avonds over de smeulende turf gezet, zodat het vuur bleef gloeien. In de ochtend hoefden er dan slechts een paar stukken hout bij om het vuur weer op te rakelen.
De dag die we volgen staat symbool voor het leven in de 17e eeuw: van het begin, de geboorte, tot het einde, de dood. We krijgen tijdens deze rondleiding niet alles te zien wat er tentoongesteld is; er is een selectie gemaakt, omdat qua tijd niet alles bekeken kan worden.
De tentoonstelling is vormgegeven door ontwerper en theatermaker Steef de Jong. Hij maakte een decor van karton, waarin de objecten zijn geplaatst alsof ze zich in een huiselijke omgeving bevinden. Op sommige plekken lopen het kartonnen decor en de echte voorwerpen naadloos in elkaar over.

 

Foto van een 17e-eeuwse vuurstolp, die staat in een nagemaakte haard van beschilderd karton. De haard heeft een donkerbruine houten schoorsteenmantel met decoratieve panelen en een klassiek ontwerp. De opening van de haard heeft donkere houten pilaren aan weerszijden. De haard heeft subtiele decoratieve patronen in een lichtbruine of gouden tint. De binnenkant van de haard lijkt bekleed met grijsachtige tegels. In het midden van de haard staat een klokvormige vuurstolp met een geel-rode kleur en groene accenten. Het lijkt of er kooltjes onder liggen te smeulen. De vloer voor de haard lijkt bedekt met blauwe tegels in een ruitvormig patroon. De wand boven de haard is licht van kleur met een horizontale strook rondom de kamer, waarop bruine cirkelvormige motieven zijn afgebeeld, gelijkmatig verspreid over de strook.
Gemaakt door Loes op 2-1-2026.

 

Voor mensen in de 17e eeuw speelden twee zaken een allesbepalende rol: religie en de humorenleer. Die leer stamt uit de tijd van de oude Grieken. Volgens deze leer werd iemands karakter bepaald door verschillende lichaamssappen en bijbehorende temperamenten, die in de loop van het leven veranderden.

  • Sanguis (bloed): Dat wordt geassocieerd met eigenschappen als vurig, energiek, hartelijk, creatief, optimistisch en levendig. Dit temperament hoort bij de lente en bij het element lucht. Het past bij kinderen en jongeren die volop in ontwikkeling zijn.
  • Cholè (gele gal):. Staat voor onrust, ambitie, driftig, egocentrisme, extravert en passie. Dit past bij het seizoen zomer en het element vuur. Het past bij pubers. Alleen al dat woord roept bij mij beelden op van ‘gal spuwen’.
  • Melancholè (zwarte gal): Deze past bij de levensfase van onze groep. Kenmerken zijn o.a. serieus, introvert, rust, analytisch denken, wantrouwen en zorgvuldig. Het seizoen is de herfst en het element is aarde.
  • Phlegma (slijm): Aan het einde van het leven werd iemand flegmatisch: kalm, aandachtig, geduldig, rationeel en bedachtzaam. Dit temperament hoort bij het seizoen winter en het element water.

Deze ideeën komen volgens de gids soms letterlijk terug in de tentoonstelling en soms meer zijdelings. Zo zie je kinderen met een ketting van bloedkoraal om en vliegerende kinderen. Ook voeding speelde een rol binnen deze theorie. Men geloofde dat vrouwen ‘vochtiger’ waren dan mannen en daarom droger voedsel moesten eten. Het zijn ideeën die nu vreemd klinken.

Zaal 2: Wonen

We lopen door naar de volgende zaal. De gids blijft staan bij een kast die wordt verlicht. De kast is ca. 2 meter hoog en 1,5 meter breed. We zetten onze krukjes neer en gaan zitten. Ze vertelt dat kasten vroeger kisten waren. Pas later werden deze kisten op pootjes gezet en ontstonden de eerste kasten zoals we die nu kennen.
Aan de ene kant van deze zaal staat een poppenhuis en daar recht tegenover aan de andere kant van de zaal een kast, die er hetzelfde uitziet, waarin spullen liggen op ware grootte. Beide hebben gedraaide poten en afsluitbare deuren. De kast is verdeeld in twee planken met verschillende vakken. Het poppenhuis laat het leven zien van de allerrijksten uit de 17e eeuw, mensen die personeel in dienst hadden: een kokkin, iemand voor het strijkwerk en iemand die zorgde voor het vuur in huis.

Het bezit van Thomas Hendriks

Wij staan bij een kast. De Jong geeft hiermee een indruk van het bezit van Thomas Hendriks, die woonde in een van de armste straten van Zwolle. Zijn complete bezit paste in deze kast. Lisoek leest voor wat Thomas allemaal bezat, en dat is confronterend weinig.
‘Het contrast tussen arm en rijk in die tijd was enorm,’ vertelt Lisoek. ‘Arme mensen leefden in koude kelders of op tochtige zolders, terwijl de allerrijksten in grote grachtenpanden woonden.’
We mogen één voor één de kast en de inhoud betasten. Alles is gemaakt van karton, wat het voor mijn lastig maakt te herkennen wat elk object voorstelt. Voor mij blijft het grotendeels gissen, en al snel ga ik weer op mijn krukje zitten.

 

Foto van een kast met inhoud, geheel gemaakt van karton. De twee deuren van de blauwe houten kast staan open, waardoor de inhoud zichtbaar is. Op de binnenkant van de linker deur staat met witte letters een lijst van bezittingen. In het midden van het linker deurtje is een vierkantige opening uitgespaard. In de kast liggen verschillende van karton gemaakte textielwaren, waarschijnlijk lakens, netjes opgestapeld. De rechterkant van de kast is gedeeltelijk zichtbaar en bevat ook een lijst.
Gemaakt door Loes op 2-1-2026.

 

Poppenhuis van Petronella Dunois

We lopen naar de overkant van de zaal, naar het poppenhuis van de Amsterdamse Petronella Dunois (1650-1695). De notenhouten kast is gemaakt rond 1676 en heeft twee deuren waarin ramen zitten. Het poppenhuis bestaat uit drie verdiepingen. Dit soort poppenhuizen was heel gedetailleerd heb ik wel eens gelezen. Ze hadden mini meubels, mini schilderijen, poppen, de kasten waren gevuld met miniservies e.d., het licht kon aan en uit, en soms was er een tuin met een fontein waaruit water kwam.
De gids legt uit dat poppenhuizen een enorme bron van informatie zijn over het dagelijks leven van toen. Ze geven inzicht in wonen, werken en huishouden. Ook dagboeken zijn waardevol, net als werkboeken. Veel mensen werkten thuis, waardoor daarin vaak persoonlijke details zijn terug te vinden.
Onder in het poppenhuis zien we de voorraadkelder. In die ruimte staat een houten hekwerk met kettingen eromheen. Alleen de vrouw des huizes had de sleutel. Wanneer zij iets uit de voorraad pakte, noteerde ze dat nauwkeurig om overzicht te houden. Naast de kelder bevindt zich de keuken en daarnaast de eetkamer (ook mannenkamer). Op de verdieping daarboven zien we links de kraamkamer met een linnenkast met daarnaast de ontvangstkamer (ook vrouwenkamer). Bovenin bevindt zich de turfzolder, in het midden een kleerzolder waar werd gestreken en linnen gladgemaakt, en rechtsboven een kinderkamer.
Alles in het poppenhuis is op schaal nagebouwd, maar toont alleen de kamers. Trappen en gangen ontbreken. Toch geeft het een goed beeld van hoe zulke huizen eruitzagen. In deze tentoonstelling staan twee poppenhuizen. Interessant aan deze is dat alle poppen nog aanwezig zijn. In de vrouwenkamer zien we twee vrouwen en drie meisjes, en in de mannenkamer twee mannen en een jongetje met een vlieger. Zo krijgen we ook een indruk van de kleding uit die tijd.
Veel voorwerpen uit de tentoonstelling komen in het poppenhuis in miniatuurvorm terug. Zo staat op zolder een kleine zilveren linnenpers. En in de keuken is een schoorsteenval te zien: een stoffen strook om de schouw die de rook uit de haard naar boven leidde. Wat jammer dat we hier niet aan mogen voelen.

 

Foto van het 17e-eeuwse poppenhuis van Petronella Dunois. Het is een gedetailleerd poppenhuis met drie woonlagen en meerdere kamers. De kast staat tentoongesteld in een donkere ruimte. De kast heeft twee grote houten deuren aan de zijkanten die openstaan, waardoor je de binnenkant van het poppenhuis kunt zien. De poppenhuiskast heeft gedraaide poten en staat tegen een grijsgroene muur. Op de onderste laag bevinden zich de voorraadkelder, keuken en eetkamer. Op de middelste verdieping zijn een kraamkamer met een linnenkast en ontvangstkamer te zien. De kraamkamer heeft rode wandbekleding. Bovenin zitten de turfzolder, kleerzolder en kinderkamer.
Gemaakt door Loes op 2-1-2026.

 

Zaal 3: Opstaan

We komen een brede zaal binnen. Loes merkt meteen een bed op. ‘Wanneer het ochtendlicht het huis binnenviel, was dat vroeger het moment op te staan,’ legt Lisoek uit.
De gids loopt een rondje door de ruimte en wijst aan wat waar staat.
Als eerste stoppen we bij een vitrine met een Delftsblauwe scheerkom. Zo’n kom werd gebruikt bij het scheren en knippen van het haar. In die tijd was een gladgeschoren kin in de mode. Loes legt uit dat de scheerkom niet helemaal rond is: aan één kant zit een uitsparing, zodat de kom onder de kin past. Ernaast ligt een linnen plooikraag, die breed en dik is.

 

Foto van een witte scheerkom met blauwe decoraties en de tekst ‘MYNIAERIS OM’ erop. De schaal heeft een onregelmatige vorm met een uitsparing aan de voorkant. Achter de schaal ligt een opgevouwen, ronde, beige stoffen plooikraag op een zwart platform. In de achtergrond hangt een wit, lang linnen hemd in een glazen vitrine. De museumruimte heeft houten vloeren en blauwe panelen aan de muren. Er zijn enkele mensen op de achtergrond te zien, maar zij zijn niet herkenbaar.
Gemaakt door Loes op 2-1-2026.

 

In de volgende vitrine, vlak bij de ingang van de zaal, staan kleine aardewerken potjes waarin zalfjes werden bewaard. ‘Het ochtendritueel verschilde toen minder van nu,’ zegt Lisoek. ‘Goed voor jezelf zorgen hoorde erbij. Douchen deed men niet. Men geloofde dat warm water de poriën opende, waardoor ziektekiemen het lichaam binnendrongen en belangrijke lichaamssappen ontsnapten. Handen, voeten en gezicht werden gewassen, maar de rest van het lichaam bleef meestal droog.’
In de vitrine liggen een luizenkam en een klein zilveren haakje met een schepje. Lisoek legt uit dat het haakje werd gebruikt om tanden schoon te maken. Tandenpoetsen zoals wij dat kennen bestond niet; men ‘stak’ de tanden schoon. Dit is een luxe voorwerp. Vaak gebruikte men hiervoor simpele materialen, zoals een kippenbotje of het puntje van een veer. Haren wassen deed men niet. Het haar werd veel gekamd met een luizenkam. Waarschijnlijk had iedereen vet haar. Dat verklaart misschien waarom veel mannen hun hoofd kaal schoren en een pruik droegen, denk ik. Iemand vraagt waar het schepje voor is. Dat is blijkbaar om je oor schoon te maken.
We staan stil bij een vitrine met een koperen beddenpan: een pan met een lange steel en een opengewerkte bovenkant. Hierin gingen hete kooltjes, waarna het in bed werd gelegd om het op te warmen. We mogen naar voren komen om een nagebouwde kartonnen bedstee te voelen. Dat sla ik over. Ik weet hoe een bedstee eruitziet. Lisoek vertelt dat er vaak gordijntjes voor hingen om de warmte vast te houden. Volgens Loes is de beddenwarmer bijzonder mooi: hij heeft een sierlijk, opengewerkte deksel.

 

Foto van een 17e-eeuwse koperen beddenpan. Hij heeft een lange, slanke steel met aan het uiteinde een grote, ronde platte pan. De pan is gedecoreerd met fijn kantwerk in een ingewikkeld bloem- en bladrankenmotief. De steel lijkt verschillende segmenten te hebben met versierde onderbrekingen en een oogje bovenaan. De achtergrond is een op karton geschilderde scène die een decoratief interieur voorstelt met felblauwe pijlers en architectonische details. Een deel van een rood gordijn is zichtbaar aan weerszijden van het object. Op de bovenste delen van de blauwe decoratie bevinden zich witte en blauwe ronde schotels die onderdeel lijken te zijn van het schilderwerk. De vloer is van hout en er is een zwarte standaard waarop het object staat.
Gemaakt door Loes op 2-1-2026.

 

Daarna lopen we door naar wat de gids het meest eigenaardige object van de zaal noemt: een buxushouten vrouwen- of vaginaspuit in de vorm van een penis met testikels. Het object is zo’n 15 cm lang en werd gevonden in Zwolle. Lachend vraag ik of we die ook mogen voelen. Lisoek legt uit dat in de holle ballen kruiden werden gedaan, die werden gebruikt om na de seks de vagina te spoelen in de hoop zwangerschap te voorkomen, of om medicijnen in te brengen tegen ziektes.

 

Foto van een 17e-eeuwse buxushouten vrouwenspuit. Het voorwerp ligt op een donkere ondergrond. De spuit heeft de vorm van een penis met ballen.
Gemaakt door Loes op 2-1-2026.

 

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

We nemen plaats op de krukjes aan de zijkant van de zaal voor een uitgebreidere uitleg. Lisoek laat een aardewerken potje rondgaan, zoals eerder in de vitrine stond. Het lijkt op een minivaasje. Ze vertelt dat men allerlei zalfjes maakte. Het schoonheidsideaal was een bleke huid, rode lippen, donker haar en aangezette ogen. Denk aan sneeuwwitje. Om de huid witter te maken werd soms loodwit gebruikt, een zeer giftig pigment dat ook in verf werd verwerkt. Men smeerde dit zonder het gevaar te kennen op het gezicht. Ook dierlijke ingrediënten, zoals duiveningewanden, werden gebruikt.
Veel mensen hadden van nature rossig haar; om het haar donker te maken gebruikte men salpeterzuur. Men wist dat dit gevaarlijk was en probeerde contact met de hoofdhuid te vermijden.
Voor rode lippen gebruikte men kleurstof van de cactusluis. Die stof wordt nog steeds gebruikt, o.a. in voedsel en cosmetica (roze koeken). De gids laat een buisje rondgaan om aan te ruiken. De geur is onaangenaam.
Ook kruidnagel werd gebruikt, verwarmd en toegepast als een soort oogpotlood.
Vervolgens krijgen we kleipijpjes aangereikt: één intact en enkele in losse delen. Ze zijn gemaakt van fijne witte klei en hebben een lange dunne steel met een kleine kop. Daarnaast laat Lisoek Arabische gom zien.
Omdat men het haar niet waste, moest het op andere manieren in model worden gebracht. Toen platte kragen in de mode kwamen, gebruikte vrouwen en mannen afgebroken pijpenkopjes om krullen te maken. Het haar werd om het pijpenkopje gewikkeld, vastgebonden met een touwtje en afgedekt met een slaapmuts. Zo ontstonden de zogeheten pijpenkrullen. Ik heb me altijd al afgevraagd waar dat woord vandaan kwam. De gids laat een poppenpruik zien met zulke krullen. De gom werd geweekt in water en zorgde ervoor dat het haar in model bleef.
Voor het verzorgen van het gebit gebruikte men porseleinpoeder en werd er op kleine stukjes porselein gekauwd, met het idee dat dit sterke tanden opleverde. Dat lijkt mij funest voor het glazuur van je tanden.

Pomander

Omdat men zich nauwelijks waste, rook men onfris. Men geloofde dat ziekten zoals de pest via slechte lucht binnenkwamen, vooral bij zuiderwind. Daarom droeg men geurige kruiden bij zich of verbrandde deze in de openhaard. Lisoek laat een kruidenmengsel ruiken dat werd meegedragen in een pomander: een klein, bolvormig object dat aan de riem hing. Lisoek zegt dat er in deze zaal eentje van zilver in een vitrine ligt die op een mandarijntje met opengewerkte partjes lijkt. Het mengsel bestaat uit laurier, rozemarijn, mirre, kaneel, wierook, tijm, nootmuskaat en wijnruit. De geur is lekker kruidig.

Linnen

Lisoek vertelt dat in deze zaal meerdere linnen objecten hangen, zoals de kraag in de vitrine. In zo’n kraag kon wel zeventien meter linnen verwerkt zijn om alle plooien te maken. De gids heeft een voorbeeld om te voelen, al is dit een eenvoudige eenlaagse versie uit de feestwinkel en niet van linnen. Ik geef hem snel door; deze ken ik al. Het is een pietenkraag. Juist het echte, historische werk had ik graag gevoeld, omdat oude kleding mij bijzonder interesseert.
Lisoek vertelt dat hoe groter en breder de kraag was, hoe rijker iemand werd geacht. Kragen werden volledig uit elkaar gehaald bij het wassen.
Ze wijst op een linnen mannenhemd uit ca. 1690-1700 dat in het midden van de zaal hangt. Zo’n hemd was de belangrijkste manier om het lichaam schoon te houden. Het linnen nam zweet en vuil op. Wie meer geld had, kon vaker van hemd wisselen. Het hemd reikt bijna tot de enkels, heeft wijde geplooide mouwen die bij de pols weer bij elkaar komen en werd zonder onderbroek gedragen. De onderkant werd tussen de benen door geslagen en daaroverheen ging een broek. Mensen noteerden hoeveel hemden ze bezaten. Er was een bakker met zeventien linnen hemden, veel voor iemand uit de middenstand. In de 17e eeuw was linnen het meest gebruikte materiaal: voor kleding, beddengoed en tafellakens.
Er ligt ook een kamdoek: een doekje dat men om de schouders sloeg tijdens het kammen van het haar. Vaak bleef dit daarna gewoon om.

Korset

Voor vrouwen was er het rijglijf of korset, dat weinig bewegingsvrijheid gaf. De gids laat ons staan. We ademen in en uit. We moeten inademen en houden het vast. Dan moeten we nogmaals inademen. En dan werd het korset met een veter aangesnoerd.
De wespentaille was in de mode: een man met grote handen moest met zijn handen de taille van een vrouw kunnen omvatten. Sommige vrouwen zouden zelfs hun onderste ribben hebben laten breken om dit ideaal te bereiken.
Als we de zaal uitlopen ziet Loes de kammantel waarover Lisoek het net had. Volgens haar is hij prachtig versiert met kant. En ook passeren we de zilveren pomander.

Zaal 4: Schoonmaken

In de volgende zaal blijft Loes plots staan. Voor ons staan twee enorme kasten. De ruimte zelf is opnieuw indrukwekkend: langgerekt, bijna 17 meter.

Gordel

In het midden verzamelen we rond een vitrine met een zilveren gordel uit ca. 1614-1651 met daaraan meerdere enkellange kettingen. Aan de eerste bungelt een sleutelbos. Met deze bos werden volgens Lisoek kamers en voorraadruimtes afgesloten door de vrouw des huizes. Zij wist precies wat er in huis was, wat aangevuld moest worden en wanneer. Alles zat in haar hoofd. Thuis luisterde ik de audiotour van deze tentoonstelling en daarin hoorde ik dat zo’n sleutelbos vaak meer bevatte: een schaar, een klein mesje of naaigerei.
Aan de andere kant van de gordel hangt nog een ketting, met daaraan een zilveren doosje met daarin een mes en een vork. Mensen gingen regelmatig bij elkaar op bezoek. De gastheer zorgde voor lepels, maar mes en vork nam je zelf mee. Eten deed men grotendeels met de handen. Er stond vaak sop (=soep) op tafel. De vork werd vooral gebruikt om vlees vast te houden bij het snijden; daarna at je het met je handen.
Aan een derde ketting hing vaak een pomander.

De was

De gids beschrijft de zaal. Waar we binnenkwamen staan hoge linnenkasten. Daarnaast staat een grote linnenpers. In het midden van de zaal ligt en staat van alles uitgestald: netjes gevouwen linnen, servetten, een mangelplank en een strijksteen. Ook staan er twee tafels met daarop spullen die te maken hebben met schoonmaken en onderhoud: een bezem (ca. 1700), een boender, een naaidoos. Helemaal aan het einde van de zaal wacht een tweede poppenhuis.
We lopen door naar de vitrine met de mangelplank en strijksteen en vormen opnieuw een kring met krukjes. Lisoek vertelt over de was, iets wat in rijke huishoudens al snel werd uitbesteed. Linnen was kostbaar en arbeidsintensief. Het werd buiten gewassen en te drogen gelegd op bleekvelden: zonnige graslanden. Eén wasbeurt was vaak niet genoeg; sommige stukken gingen vier keer door het proces. Witter dan wit was het ideaal.
Er lopen veel mensen achter mij langs en sommigen praten hard. Dat is voor mij heel afleidend. Ik versta Lisoek af en toe niet.
Ik begrijp dat na het bleken het vochtige linnen naar huis gebracht werd en, net als in de poppenhuizen te zien is, op de kleerzolder over stokken werd gehangen om mooi glad te drogen.
De gids laat een strijkbout uit die tijd voelen. Hij is van metaal, met een houten handvat. Aan de voorkant kan hij open, zodat er hete kooltjes in konden. Aan de vorm is nog weinig veranderd merk ik: van achter breed en van voor een punt.
Na het strijken werd het linnen gladder gemaakt door met een houten stok over een mangelplank te gaan. Zo’n plank had een gladde en een versierde kant. In de bewerkte zijde van de plank in de vitrine staat een spreuk gegraveerd: ‘Wit gewassen en in de vouw. Dit is de sieraad voor een schone vrouw.’
Dan was het tijd voor de strijksteen: een stuk glas met een afgeronde kant, prettig om vast te houden. Daarmee kreeg het linnen een mooie glans. Deze heeft Lisoek helaas niet bij zich om te voelen.
In het linnen moesten altijd de initialen van de eigenaar zijn verwerkt, zodat alles na het uitbesteden van de was weer netjes bij de juiste familie terugkwam.
Tot slot mogen we damasten servetten voelen. Door de manier van weven glanst het ene deel meer dan het andere. Ook gaan er stukjes gesteven en opgesteven linnen rond. Het verschil is duidelijk voelbaar: gesteven linnen is harder en stijver. Zelfs met je handen merk je hoe verschillend de weeftechnieken zijn.

Zaal 5: Geboorte en kinderen

We blijven zitten. Lisoek legt uit dat links van ons zaal 5 is, een ruimte die in het teken staat van geboorte en kinderen. We gaan er niet naar binnen. Toch wil ze er iets over vertellen.
Veel kinderen overleden al vóór hun vijfde levensjaar. De angst voor kindersterfte was groot, en zwangerschap werd gezien als iets kwetsbaars en bepalends. Vrouwen waren vaak zwanger en alles draaide om één wens: een gezond kind.
Zwangere vrouwen moesten goed voor zichzelf zorgen. Zowel lichamelijk als geestelijk. Ze mochten alleen naar ‘mooie’ dingen kijken. Een ruzie of vechtpartij zien kon, zo dacht men, een negatieve invloed hebben op het ongeboren kind.
Was de bevalling eenmaal achter de rug, dan werd dat uitgebreid gevierd. Er werd geproost en getoost op de geboorte van het nieuwe leven.
Kinderen droegen vaak een ketting van bloedkoraal, bedoeld om hen te beschermen en gezond te laten opgroeien.
Speelgoed was om kinderen voor te berijden op de toekomstige taken. Meisjes speelden met aardewerken potjes en kleine pannetjes, jongens met trommels en zwaarden. In de audiotour hoorde ik dat in deze zaal ook een kolfglas te zien is, daterend uit ca. 1600-1800, dat werd gebruikt als hulpmiddel bij borstvoeding. Ik wist niet dat ze dat toen al deden.

Vervolg zaal 4

Lisoek benadrukt dat vrouwen meer deden dan alleen het huishouden. Ze waren actief in het familiebedrijf en droegen grote verantwoordelijkheden. Had je samen een bakkerij, dan bakte de man het brood en verkocht de vrouw het. Was je man kapitein op zee, zoals Michiel de Ruyter, dan regelde de vrouw thuis de financiën, kocht zij de benodigdheden in en zorgde zij voor de gezinnen van de matrozen. Ze betaalde hen uit en hield het overzicht. Vrouwen waren managers — niet slechts huisvrouwen.
Voordat we zaal 4 definitief verlaten, lopen we langs het beroemde poppenhuis van Petronella Oortman (1656-1716), dat dateert uit ca. 1686-1710. Er staat een enorme rij voor, waardoor de gids het onderwerp overslaat. Jammer! Online las ik al over dit indrukwekkende object. Het poppenhuis staat in een met tin en schildpad versierde eikenhouten kast van ca. 2,5 meter hoog en 2 meter breed. Het bestaat uit een voorhuis en negen verschillende kamers, namelijk mooiste slaapkamer/ kraamkamer, zaal, tapijtkamer/ rouwkamer, keuken, kelder, pronkkeuken, kinderkamer, berg-/ turfzolder en kleerzolder/ kamer voor de dienstmeid. Tot in het kleinste detail is alles uitgewerkt, inclusief een miniatuurservies van Chinees porselein.

Zaal 6: Werken

Via een nauwe doorgang komen we in zaal 6. Deze zaal gaat over werken. Uit een podcast over deze tentoonstelling weet ik dat er in deze zaal drie hoofdonderwerpen zijn. Een vrouw die spint, een koopman die in zijn kantoortje werkt en over een bakkersechtpaar met een winkel aan huis. Het behang in deze zaal is nagemaakt van een van de poppenhuizen. Het is geel met rode en groene zigzagvormen.

Schilderij van Jan Steen

We staan met ruimte om ons heen — niet te dicht op elkaar — want Lisoek wil ons iets laten ervaren. Achter haar hangt een schilderij van Jan Havicksz. Steen uit 1658 waarop de Leidse bakkerswinkel te zien is van Bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina Keizerswaard. Het is ca. 38 × 32 cm.
We beginnen bij het bakkersechtpaar. Lisoek laat ons de houding van de bakker nadoen. We zetten onze rechtervoet een halve meter naar voren, richten onze rechterarm naar achteren met de hand bij de bil (die hand is niet zichtbaar) en steken onze linkerarm naar voren met gebogen elleboog — onze duim omhoog. Die houding imiteert hoe de bakker in de schildering een houten plank vasthoudt met versgebakken brood erop. We spannen onze armspieren aan, trekken onze schouderbladen naar achteren en kijken over onze linkerschouder — vriendelijk, een kleine glimlach op ons gezicht.
Dan de bakkersvrouw. Zij staat in de deuropening van de winkel, en is zichtbaar door het raamluik dat openklapt — de toonbank van de bakkerij. We buigen ons bovenlijf naar voren, zonder onze romp te draaien, alsof je uit het raam leunt. Haar korset belemmert beweging. We richten onze blik vriendelijk vooruit en houden een denkbeeldig beschuitje omhoog in onze hand — alsof we dat aan een klant laten zien.
Daarna mogen we gaan zitten en Lisoek laat een voelschilderij rondgaan dat zij zelf heeft gemaakt. Het is vlak, maar met reliëf — alsof het bijna driedimensionaal is.

 

Foto van een voelschilderij van het schilderij van een Leids bakkersechtpaar geschilderd door jan Steen. De afbeelding is in reliëf. Er zijn drie personen afgebeeld voor en in een bakkerswinkel. Voor staat een man met rossig haar, die een wit hemd en een grijze broek draagt. Hij heeft een bakkersmuts op het hoofd en houdt met een hand een plank vast waarop diverse broden liggen. Zijn houding en blik zijn naar voren gericht, met een lichte glimlach. Linksachter staat een vrouw met zwart haar en een zwarte jurk met een witte kraag. Zij staat achter een houten toonbank die ook vol ligt met broden en gebak. Naast haar, aan de muur, hangen pretzels aan een touw. Rechtsachter, iets minder prominent aanwezig, staat een jongen met krullend haar en een rood broekjack. Hij blaast op een hoorn. De achtergrond is een oud, rustiek interieur met bakstenen muren en een klimop die van bovenaf naar beneden hangt.
Gemaakt door Loes op 2-1-2026.

 

In eerste instantie snap ik niet precies waar de bakker staat ten opzichte van zijn winkel. Lisoek legt uit dat het schilderij vanaf de straat is geschilderd en dat je door het raam en de deur tegelijk kijkt. Daardoor lijkt het alsof binnen en buiten in elkaar overlopen — en dat creëert de verwarring. Ook snap ik niet goed hoe de bakker staat. Loes legt uit dat hij niet recht vooruitloopt, maar wat schuin.
Als ik dat eenmaal begrijp, valt alles op z’n plek. Het is lastig uit te leggen wat je niet snapt. Na extra uitleg van de gids, Loes en de andere zienden onder ons heb ik een beeld.
Het schilderij toont Arent Oostwaard, de bakker, en zijn echtgenote Catharina Keizerswaard, bij hun bakkerswinkel. Het is een combinatie van portret, beroepsweergave én stilleven met de verschillende soorten brood die ze verkopen. Het schilderij is gemaakt vanaf de buitenkant van de winkel.

  • Links op het schilderij in de deuropening staat naast of achter een houten tafel die fungeert als toonbank de bakkersvrouw Catharina Keizerswaard. Ze is vanaf haar heupen zichtbaar. Zij draagt nette kleding: zwart jackje met een witte blouse eronder en ze draagt een kapje op haar hoofd en heeft elegante oorbellen in. Zij kijkt ons recht aan. In haar hand houdt ze een zultinekoek omhoog, een soort beschuitbrood. Op de toonbank liggen verschillende soorten brood.
  • Rechts van haar loopt bakker Arent Oostwaard met een witte bakkersmuts en een wit hemd aan net de winkel uit. Het hemd staat wijd open en zit in zijn grijze wijde broek gestopt. Je ziet hem vanaf zijn knieën. Zijn rechterbeen stapt schuin naar voren en zijn linker staat nog net op de drempel. Hij heeft rossig lang loshangend haar, wat langs zijn gezicht hangt. Hij kijkt lachend een beetje van ons weg. In zijn linkerhand heeft hij een lange smalle plank (=een schieter) met vloerbrood erop dat net uit de oven komt. Zijn onderarm is gespierd.
  • Rechtsonder staat een donkerharig jongetje dat op een bakkershoorn blaast. De jongen is niet hun zoon. Het is de hoorn van een stier. Achter hen staat een houten rek met een cirkel met broodjes, soort kadetjes, er tegenaan. De broodjes lijken uit de hoorn te komen.
  • Aan een rek aan de gevel hangen pretzels. Ook zijn er elders vloerbroden te zien en staat er een mand met zultinekoeken. Tegen de muur staat een duivenkater, een luxe wit brood met een zoetige smaak. Langs de voorgevel groeit klimop.

Volgens Lisoek symboliseert de hoorn de hoorn des overvloeds. De jongen blaast op de hoorn om te laten weten dat het brood gebakken en klaar is om te verkopen.

 

Foto van een schilderij van een bakkersechtpaar gemaakt door Jan Steen. Het schilderij hangt in een museum en heeft een goudkleurige lijst met sierlijke ornamenten en patronen. Het schilderij stelt een tafereel voor in een straat van Leiden. Het toont een bakkerswinkel met drie mensen. Op de voorgrond staat de bakker met een broodplank in zijn linkerhand met daarop brood. Hij draagt een wit hemd met opgerolde mouwen en een witte bakkersmuts. Hij kijkt recht vooruit met een lichte glimlach. Linksachter hem staat een vrouw met een lichte huid en donkere kleding met witte kraag achter een balie. Zij houdt een zultinekoek omhoog. Aan de rechterkant, gedeeltelijk verborgen achter het hoofd van de man, staat een donkerharige jongen, die naar de kijker kijkt met een lichte glimlach. De jongen blaast op een hoorn. Op de balie liggen diverse soorten brood, waaronder ronde broden, een langwerpig knoopbrood, en platte beschuiten. Boven de balie hangen pretzels. De achtergrond toont een stenen wand met enkele groene bladeren die van bovenaf naar beneden hangen.
Gemaakt door Loes op 2-1-2026.

 

Kerfstok

Terwijl we 1-voor-1 dit schilderij bekijken, vertelt de gids over een kerfstok die in een vitrine ligt. Vroeger hielden bakkers en klanten bij hoeveel brood er op krediet was gekocht. Op een stok werden kerfjes gezet en dan in tweeën gespleten: één helft voor de klant, één voor de bakker — zó kon niemand sjoemelen. Dit doet me denken aan de uitdrukking ‘Iets op je kerfstok hebben’.

Zaal 7: De avondmaaltijd

We lopen over een soort brug naar de volgende zaal. De zaal heeft leren wandbekleding. Dankzij deze bekleding bleven vieze geuren niet in de ruimte hangen.
Het is behoorlijk druk, dus we lopen door naar een plek waar meer ruimte is.
Lisoek vertelt dat de maaltijd belangrijk was. De tafels werden prachtig opgedekt. Tinnen borden werden net zo lang opgepoetst tot ze van zilver leken. Ze geeft een tinnen bord door waarvan de ene helft is gepoetst en de andere helft ongepoetst. Eerst voel ik het verschil niet. Pas wanneer wordt aangewezen waar het verschil zit, voel ik het enigszins.
Het is inderdaad enorm druk hier. Ik versta Lisoek af en toe nauwelijks.
De gids geeft een glazen roemer door. Aan de buitenkant zitten allemaal bolletjes. Die waren aangebracht omdat mensen het glas met vette vingers vastpakten. Glas was kostbaar en men was bang dat het uit de handen zou glijden. Het is een kelkvormig glas met een brede voet. Ik vind hem erg mooi.
Ik vraag hoe laat men in die tijd dineerde. Lisoek antwoordt dat de noonmaaltijd de belangrijkste maaltijd van de dag was. Pas in de 19e eeuw verschoof dit naar de avond. De meeste mensen aten twee tot drie keer per dag, terwijl rijken af en toe wel zes maaltijden per dag nuttigden.
We staan naast een mooi gedekte tafel met o.a. tafelzilver. Loes ziet vlak bij een zilveren kom met daarin een kan. Op tafel glanzen vier zilveren kandelaars in het licht. Ook staat er een kruiddoos met verschillende bakjes voor specerijen zoals gember, kruidnagel en kaneel. Loes vertelt dat er op tafel kleine versies staan van de roemer die ik net mocht voelen. Ik ben heel nieuwsgierig naar de gedekte tafel. Jammer dat ik die niet kan aanraken.

 

Foto van een museumopstelling van een gedekte 17e eeuwse eettafel. Op de met een wit tafellaken gedekte tafel staan glazen en borden met een blauw-wit patroon. Er staan ook grote, sierlijke zilveren kandelaars die gereflecteerd worden in een grote spiegel aan de linkerkant, waardoor de tafelsetting meerdere keren wordt gespiegeld en wordt verlengd. Op de tafel, van voren naar achteren, staan verschillende glazen: een waterglas, een wijnglas en nog een glas. De borden zijn netjes verdeeld over de tafel. Op de achtergrond zijn mensen zichtbaar, alhoewel die onherkenbaar zijn. De sfeer is tamelijk donker met gefocuste verlichting op de tafelstukken, wat de glans van het zilver en het glas benadrukt. De setting roept een gevoel op van een formele, klassieke tafelopstelling.
Gemaakt door Loes op 2-1-2026.

 

Zaal 8: Avond & ontspanning

In de volgende zaal ziet Loes een mooi beeld van een engel met een krans. We volgen de gids naar het midden van de zaal, waar we op krukjes en een bankje gaan zitten. Lisoek beschrijft deze ruimte als een zeer mooie woonkamer.
Aan het uiteinde van de zaal staat een prachtige open haard met Delftsblauwe tegeltjes en een schilderij erboven. Aan de wanden hangen gobelins (tapijten), die waren om de warmte binnen te houden en het geluid te dempen. De gobelins werden te pas en te onpas opgehangen, zelfs in hoeken. Verder staan er stoelen langs de wanden.
Lisoek geeft een stoel op poppenformaat door. Het zijn rechte stoelen, soms met armleuningen en kussentjes erop. Het was gebruikelijk bij elkaar op bezoek te gaan; men trok dan eenvoudig een stoel bij. Om na een dag hard werken weer in balans te komen, was rusten en plezier maken belangrijk.
Aan de linkerkant van de zaal staat een virginaal, een soort kleine piano. In deze periode werd veel muziek gemaakt. Vaak ging het om bestaande muziekstukken waarop nieuwe teksten werden geschreven. Dat konden christelijke teksten zijn, maar ook sinterklaasachtige gedichten met een grapje. Er werden daarnaast spelletjes gespeeld. Driekoningen was in die tijd belangrijker dan Kerstmis nu. Hier ligt ook een papieren kroon voor Driekoningen. Verder staat er een ganzenbordspel.
Lisoek laat een muziekstuk horen zoals het destijds werd uitgevoerd. Het wordt gespeeld op het virginaal en daarbij wordt gezongen.
Lisoek vertelt dat men zo de dag afsloot.

Uitstapje: Zaal 9: De dood

Lisoek wijst naar zaal 9, een zijzaal van deze ruimte. Daar ligt een baar voor het moment dat iemand overleed. Veel rituelen rondom afscheid nemen zijn volgens haar nog hetzelfde: iemand naar het graf brengen en in een stoet achter de kist aan lopen.
Hoe men afscheid nam van iemand die net was overleden, was anders. De ziel moest rustig kunnen vertrekken. Als iemand overleed, verliet de familie het huis voor een paar dagen en namen de buren de zorg over. Zij zetten alle ramen en deuren open om de ziel naar buiten te laten. De gordijnen gingen dicht en spiegels en schilderijen werden omgekeerd of afgedekt, zodat de ziel zichzelf niet in een spiegel zou zien en zich weer aan de familie zou hechten.
De overledene werd in een kist naar buiten gebracht. Mensen lieten hun omgeving weten dat er iemand was overleden door een hooibaal buiten de deur te zetten. Dit gebruik werd op den duur verboden.
Richting de uitgang zien we een boerendeur die halfopen en half dicht staat. Daarmee eindigt de rondleiding.

Afronding met gids

Lisoek vraagt wat we van de middag vonden. Ik vond het heel interessant. Als feedback noem ik de drukte. Het is vandaag een van de drukste momenten van het jaar in het museum. Ik adviseer op zo’n dag geen rondleiding meer te plannen voor onze doelgroep. De drukte werkte voor mij behoorlijk afleidend.
Om 16.20 uur neemt Lisoek in zaal 8 afscheid van ons. Wij bedanken haar voor haar mooie verhalen.
Loes en ik kijken verder in de zaal. Het virginaal heeft een inscriptie: Musica laborum dulce levamen, wat betekent: ‘Muziek is een zoete verlichting van de werkelijkheid’.

Zaal 9: De dood

Loes en ik lopen door naar de zaal over de dood. De draagbaar blijkt gemaakt voor het Hindelooper bakkersgilde en dateert uit 1666. Op de baar staat een inscriptie: ‘De bakker kneedt en bakt het brood gaar tot des mensen onderhoud, deze baar die is gemaakt alleen voor bakkers jong en oud.’
De baar staat op een nagebootste vloer van karton, waarop plavuizen zijn geschilderd.
We lopen op ons gemak terug naar het atrium. We halen onze jassen op en lopen vervolgens richting de tram.

Wat vond ik ervan?

De tentoonstelling Thuis in de 17de eeuw in het Rijksmuseum vond ik bijzonder interessant en de moeite waard. De verhalen die werden verteld gaven een mooi en levendig beeld van het dagelijks leven van toen. Ik werd meegenomen in hoe mensen woonden, leefden, werkten en hun huis inrichtten. Dat maakte de tentoonstelling boeiend en leerzaam.
De voelobjecten die de gids meegenomen had, spraken mij minder aan dan bij een eerdere rondleiding die ik in het Rijksmuseum volgde, over Aziatisch brons. Daar raakten de objecten mij meer. In deze tentoonstelling zat voor mij de kracht vooral in de verhalen en de context.
Een punt van feedback is de drukte. Het gekozen moment was helaas één van de drukste dagen van het jaar, wat voor mij de beleving niet ten goede kwam en bij mij zorgde voor overprikkeling.
Wat ik zeker wil benoemen, is de prettige rondleiding. De gids was vriendelijk, betrokken en vertelde met enthousiasme. Ook het voel-schilderij was mooi gemaakt.
Al met al heb ik genoten van deze tentoonstelling en kijk ik met interesse uit naar de volgende tijdelijke tentoonstelling in het Rijksmuseum.

Meer weten?

De tijdelijke tentoonstelling Thuis in de 17de eeuw’ liep van 17 oktober 2025 t/m 11 januari 2026 in het Rijksmuseum in Amsterdam. Het Rijksmuseum heeft vrijwel elke eerste vrijdag van de maand een rondleiding voor visueel beperkte bezoekers ergens in het museum. In februari t/m mei 2026 is dat de tentoonstelling Metamorfosen. Wil je meer weten over het Rijksmuseum of wil je er zelf eens heen? Klik dan hier om naar hun website te gaan.

Nooit meer een Tikje Anders blog missen?

Volg Tikje Anders op social media en mis geen enkele blogupdate. Je vindt me op Facebook, Instagram en LinkedIn!

Wil je een seintje krijgen als er een nieuwe blogpost is? Vul dan je e-mailadres in onderaan deze pagina en klik op ‘Abonneren’ om updates rechtstreeks in je mailbox te ontvangen. Of volg Tikje Anders via de WhatsApp-community ‘Oog voor Elkaar’.

Deel dit bericht met je netwerk!


Ontdek meer van Tikje Anders

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

2 gedachten over “Impressie > Rondleiding tijdelijke tentoonstelling Thuis in de 17de eeuw in het Rijksmuseum in Amsterdam

  1. Jammer dat het op 2 januari was. Maar wat ik lees, is heel interessant. En een goeie gids is ook heel wat waard. Wat zij allemaal verteld. Fijn dat je met Loes een mooie en leerzame rondleiding hebt gehad.

  2. Wat een mooi verhaal! Zo duidelijk en interessant. Een goede uitleg over wat je beleeft en voelt.
    Voor ons zienden ook weer een eyeopener. Geeft inzicht hoe moeilijk het is om een ‘uiterlijk’ uit te leggen, weer te geven .. Blijf vragen hoor Debby. Geeft ons weer een stukje meer bewustzijn van hoe we met alles om kunnen gaan en niet vanzelfsprekend is … Loes

Laat hier jouw reactie achter op bovenstaande blog