Impressie > Excursie Zuiderzeemuseum met Stichting KUBES (Augustus 2025)

Foto van Debby die voor een oranje achtergrond staat. Ze draagt een groene top en een zwart leren jack. Om haar nek hangt een zilveren ketting met een groene hanger en ze draagt felroze lippenstift. De foto is genomen vanaf borsthoogte en ze kijkt direct in de camera met een zelfverzekerde uitdrukking. De belichting is professioneel en gelijkmatig, wat zorgt voor een scherp en helder portret.

Deel dit bericht met je netwerk!

In de nieuwsbrief van Stichting KUBES, een organisatie die zich richt op kunst- en cultuurbeleving voor mensen met een visuele beperking, las ik dat ze een excursie organiseerden naar het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Mijn favoriete museum. Hieronder lees je mijn impressie van de excursie op zaterdag 30 augustus 2025.

Aankomst

Mijn blindengeleidehond Tarka laat ik deze keer lekker thuis bij mijn partner. Bij het museum is het lastig om haar uit te laten en er zijn veel kleine ruimtes, opstapjes, afstapjes en oneffenheden. Daarom loop ik liever bij iemand aan de arm.
Ik moet vóór 11.00 uur bij de ingang van station Enkhuizen zijn. De regiotaxirit verloopt vlot en ik arriveer ruim op tijd. Een deel van de groep staat al te wachten. Ook deze keer heb ik begeleiding via KUBES geregeld. Zo fijn dat dat mogelijk is via deze organisatie!
De excursieleidster koppelt me aan R. Ze heeft mij niet eerder begeleid. Ik ken haar echter van de KUBES-excursie Bijendag in en om De Vertelschuur in Bloemendaal.
Wanneer de groep compleet is, lopen we in een paar minuten naar de steiger achter het VVV-kantoor. Daar merken we dat er een stevige wind staat. Het is fris en ik trek mijn jas dicht. De weersvoorspellingen voor vandaag waren de afgelopen dagen slecht.
Een paar minuten later arriveert de veerboot die ons in zo’n 25 minuten naar het Zuiderzeemuseum zal brengen. In dit buitenmuseum ga je terug in de tijd, naar het leven rond de Zuiderzee rond 1900. Het is opgezet als dorp met diverse wijken. Er zijn straatjes, pleinen en meer dan honderdvijftig authentieke gebouwen, zoals huizen, werkplaatsen, winkels en een kerk. Ambachtslieden laten zien hoe er vroeger werd gewerkt in de smederij, de visrokerij en bij de touwslager. Ook ontmoet je acteurs in klederdracht die het dagelijks leven van ruim een eeuw geleden uitbeelden.
Op de veerboot staan driepersoonsbankjes en iedereen heeft een zitplaats. Tijdens de tocht over het IJsselmeer maken R. en ik nader kennis. Onderweg maakt de boot een korte stop bij het entreepaviljoen van het Zuiderzeemuseum. Hier ben ik vorig jaar opgestapt tijdens een uitstapje naar het Zuiderzeemuseum met Oogvereniging Noord-Holland. Toen was ik verrast dat het een veerboot was: ik had een oude boot verwacht. Daarvoor ging ik met een kennis met de auto en liep dan naar de ingang.

De voddenman

Rond 11.45 uur komen we aan bij het museum. We lopen eerst met de groep richting zelfbedieningsrestaurant Het Amsterdamse Huis. Vlak bij de boot hoor ik een belletje rinkelen en een mannenstem roepen: ‘Vodden! Vodden!’ De voddenman komt voorbij. Zijn kar heb ik al eens in een straat van dit museum zien staan, maar ik ben hem nog nooit in actie tegengekomen. Ik weet dat de voddenman een uitgestorven beroep is. Vroeger trok hij met zijn kar door de straten en ging langs de huizen om oude spullen in te zamelen, zoals:

  • Vodden en lompen: Die werden verwerkt tot papier of poetsdoeken.
  • Oud ijzer en metaal: Spijkers, pannen, bestek en ander metaalafval kon worden omgesmolten.
  • Botten, leer en huiden: De leerlooierij kon hier wat mee of ze werden gebruikt in de lijmindustrie.
  • Papier en ander afvalmateriaal: Dit kon opnieuw worden gebruikt of verkocht.

De voddenman gaf soms kleine dingen in ruil, zoals een paar cent, een stukje zeep of speelgoed. Hij was dus een vroege recycler.
De voddenman vertelt dat het 1920 is en dat hij vodden ophaalt. R. is coupeuse en weet veel van kleding. We mogen de bovenkleding van de voddenman voelen, terwijl R. uitlegt hoe het kledingstuk is gemaakt. Hij draagt een gilet met een sjaalkraag – een kraag die in één vloeiende lijn overgaat van de halsopening naar de revers en zacht rond de nek valt, zonder scherpe punten zoals bij een klassieke kraag. Aan een ketting draagt hij een horloge.
We lopen door. Vlak bij onze lunchplek ziet R. een ouderwetse auto, met daarop manden vol wasgoed. Ze laat me de spatborden en de koplampen voelen; die laatsten zijn opvallend groot.

Lunch

We lopen door naar het restaurant. Wie wil, kan op eigen kosten iets eten. Ik neem een soep, een saucijzenbroodje en een warme kop verse gemberthee. R. houdt het bij een verse gevulde koek en een kop koffie.
Normaalgesproken is er tijdens een excursie van KUBES een rondleiding met een gids. Deze keer is dat niet zo; iedereen kan op eigen gelegenheid het museum verkennen. R. vraagt of ik het leuk vind om met een klein groepje door het museum te lopen. E., haar man, is ook begeleider. Hij is gek op geschiedenis en weet veel over het museum. Prima wat mij betreft.
We vertrekken met een groepje van zes personen en één geleidehond. Buiten vraagt E. of we ergens specifiek naartoe willen. Ik heb drie locaties op mijn lijstje staan:

  1. Ik wil altijd langs de bakker voor wat lekkers.
  2. Onlangs hoorde ik dat er een oude bronstijdboerderij in het Zuiderzeemuseum staat. Die wil ik bekijken.
  3. Het huisje van de garnalenpelster (Leven op een kluitje) in de wijk Zoutkamp is een multizintuigelijke ervaring, dus extra geschikt voor onze doelgroep.

Scharensliep uit Hoorn

We lopen over een kippenbruggetje (=oude benaming voor een voetgangersbrug) en komen in een keienstraatje. We passeren de kerk. In een zijstraatje komen we de kar tegen van de scharensliep.
Rond 1900 trok de scharensliep met een handkar door de dorpen rond de Zuiderzee. Op zijn kar had hij een slijpsteen en gereedschap om messen, scharen en ander snijgerei te slijpen. Hij bood zijn diensten aan op straat of bij mensen aan huis. De scharensliep werkte meestal zelfstandig en reisde van plaats tot plaats, omdat er in kleine dorpen onvoldoende werk was om zich op één plek te vestigen.
De eigenaar van deze kar is nergens te bekennen. De begeleiders laten ons de kar voelen, terwijl E. uitlegt hoe de slijpstenen werken. Het is een hoge houten handkar met aan één kant verticale schijven die kunnen ronddraaien. De slijpstenen worden aangedreven met een voetpedaal. Aan de zijkanten zitten vliegwielen en in het midden twee slijpstenen, waarvan de ene grover is dan de ander.
De kar is houtkleurig met bordeauxrode en gele accenten. Er zit ook een afgesloten kastje op waarin messen te zien zijn. R. ontdekt kleine papieren zakjes, waarin je vroeger je mes of schaar mee naar huis kreeg.
Op een bord staat dat deze scharensliep in Hoorn heeft gelopen.

Stadsboerderij uit Amsterdam

Als we verder lopen, komen we langs een feestartikelenwinkel. R. leest het bord voor. Het gebouw komt uit 1650. In Amsterdam, aan de Nieuwezijds Burgwal stonden in de 19e eeuw boerderijen met schuren en stallen. In dit huis was tot 1918 een stadsboerderij gevestigd. ’s Winters verbleven de koeien in de stal achter het huis en in het voorjaar werden ze per boot naar weilanden buiten de stad gebracht. Na de sluiting van de boerderij bleef het pand tot 1975 bewoond.
Het huidige interieur komt uit de feestartikelenwinkel van de familie Heitz. Zij hadden van 1859 tot 1977 een winkel aan de Nieuwe Leliestraat 35 in Amsterdam, waar zij voordrachten drukten, feestartikelen maakten en kostuums verhuurden.
Ik krijg het warm en doe mijn jas uit. Het wordt onverwachts toch mooi weer. Ik vertel de groep dat sommige gebouwen hier in delen heen gebracht zijn (bv. de kerk) en dat anderen in zijn geheel hierheen zijn verhuisd (bv. het kaaspakhuis).

Koetshuis uit Hoorn

Als we verder lopen, komen we de geparkeerde kar van de voddenman tegen. R. laat ons een oud metalen ledikant voelen dat buiten staat. Er hangt kleding overheen. Er ligt een kruik in en gebreide dingen, zoals een kruikenzak.
We stoppen bij een koetshuis en blijven staan om het te voelen. De hardstenen onderkant moest volgens een bord het huis allure geven. De zachtgele verf aan de bovenkant voelt ruw aan onder mijn vingers. Het voelt wat als stucwerk. E. leest dat er zand door de verf is gemengd, zodat het lijkt op zandsteen. Het koetshuis is een reconstructie van het oorspronkelijke gebouw, dat ooit bij het luxe woonhuis van de Hoornse timmerman en aannemer Piet Jan Blaauw hoorde. Hij liet het rond 1878 bouwen. Aan de deur hangt een ouderwetse klopper in de vorm van een leeuw.

Banketbakkerij uit Hoorn

We lopen door en stappen de bakkerij binnen. Ze hebben krakelingen, speculaas, bitterkoekjes, suikerbrood, spritsen, gevulde koeken, noga, stroopwafels, Zuiderzeebollen en een Aap Noot Mies chocoladereep.
Ik koop een paar verse gevulde koeken, een pakje krakelingen en een zakje bitterkoekjes. Ik ben gek op hun verse koeken! Terwijl de rest hun bestellingen doet, smikkel ik buiten in het zonnetje van mijn verse gevulde koek. Zooo lekker!

Woonhuis uit Venhuizen

Wanneer iedereen is uitgegeten, lopen we verder door het museum.
We stoppen bij een woonhuis. R. leest dat dit soort woningen kenmerkend waren voor halfzelfstandigen in West-Friesland aan het begin van de 20e eeuw. In de 19e eeuw woonde in dit huis een tuinder, die daarnaast in dienst was bij een boer. Zijn vrouw was mutsenplooister.
Rechts van de deur bevindt zich een klein bakhok. Via houten goten langs de gevel stroomt het regenwater rechtstreeks in een opvangbak in het bakhok.
Binnen zit een vrouw in klederdracht aan de eettafel. We vragen of we even binnen mogen kijken. Dat mag.
Er is een hoge drempel. Het is een heel klein donker huisje, dus moet alles netjes en ordelijk zijn. Rechts is de bedstee. Overdag blijven de deuren van de bedstee gesloten. Er staat een turfkist en daarboven hangt een zgn. dichelenkastje, waarin vroeger het servies werd bewaard. Op tafel staat een petroleumstel met een koffiepot erop.
De vrouw is bonen aan het lezen. Ze legt uit dat ze de bonen in grote jute zakken aangeleverd krijgt vanuit de droogschuren. Daarin zitten zowel witte als bruine. Als bijverdienste haalt ze de takjes en steentjes eruit en scheidt ze de witte van de bruine bonen. Het is een klusje voor kinderen, maar nu die het huis uit zijn, doet zij het. Met de hand haalt ze de witte bonen uit een bak met gemengde bonen. Hetzelfde doet ze met de steentjes. Ook haalt ze de grote, doorgeschoten bonen eruit — die gaan naar de kippen. Als alles is uitgezocht, worden de bonen opgehaald en gaan ze naar de conservenfabriek.
Ze laat haar kleding voelen. Ze draagt een schort uit de Volendammerstreek, een blouse, een rok en een onderrok. Ze heeft lange kousen aan en schoenen — wat ongebruikelijk was. Ze is dienstbode bij de vrouw van de wasserij, en die wil dat ze schoenen draagt in huis, omdat klompen herrie maken. Ze heeft niets op haar hoofd. In de huishouding was het normaal om een mutsje te dragen, maar haar bazin is niet zo streng. Het was in die tijd niet vanzelfsprekend dat vrouwen buitenshuis werkten. Haar man is turfkruier, maar dat verdient niet veel, omdat de kolen in opkomst zijn.
R. vertelt dat haar rok en blouse een klein blauw-wit ruitje hebben.
De vrouw laat ons de achterkant van haar schort voelen, waar op bilhoogte een strikje van schortbanden hangt. Als die loshangen, betekent dat dat ze een losbandige vrouw is (dus ongehuwd). Zij is getrouwd, en dus gestrikt.
We gaan weer naar buiten. De wc hangt achter het huis, boven de sloot. Daarnaast zit een boenstoepje om potten en pannen schoon te spoelen.

Schuitemakerij

We stoppen bij een bord bij een oude schuitemakerij. In dit huis woonden Herman Zwart en zijn zonen, Melchert en Pieter. Achter hun woning hadden ze een flink stuk grond met een ruime werkplaats, een werf en een boomgaard. Er was een helling. Wanneer een schuit daarop werd getrokken, kon de schuitenmaker goed bij de onderkant om reparaties uit te voeren.
Het gezin hield bijen voor de honing en vulde hun inkomen aan met jagen.
De woonkamer was een ontmoetingsplek voor klanten en buurtgenoten.
Het wordt echt warm. Ik doe mijn jas uit en stop hem in mijn rugtas.

Woonhuis familie Bakker uit Grotenbroek

We lopen weer door. We passeren een bootje dat over een van de slootjes vaart.
We stoppen bij een huis dat volgens het bord aan de Zesstedenweg in Grotenbroek stond. Het werd gebouwd begin 1600 en in 1916 ging de familie Bakker erin wonen. Het is een ruime woning met een typische houten topgevel. Mijnheer Bakker was tuinder en verbouwde aardappels, kool en zaad. Om zijn land te bemesten kocht hij paarden- en koeienmest bij boeren in de buurt.
R. laat me een ouderwets hek met van die punten voor de deur van het huis voelen.

Visrokerij en Vogelhoeksmolen

Aan onze rechterkant komen we langs de visrokerij. Dat is te ruiken.
We bevinden ons nu aan de buitenrand van het museumterrein. Vlakbij is het ritmische geluid van de Vogelhoeksmolen te horen. Ik herinner me van een eerder bezoek dat hij uit Hemelum komt.
Van een bord leren we dat niet alleen het golvende water van het IJsselmeer een bedreiging voor Noord-Holland vormde; ook regenwater, kwelwater en water dat door de dijken sijpelde konden overlast geven.
Vroeger zorgden windmolens ervoor dat het land droog bleef.
In een poldermolen wordt water met behulp van een scheprad of een vijzel (=schroef van Archimedes) van een lager naar een hoger peil gebracht. De Vogelhoeksmolen heeft een houten vijzel. Wanneer het hoogteverschil te groot is voor één molen, worden meerdere molens achter elkaar geplaatst. Zo’n reeks samenwerkende molens heet een molengang.

Touwslagerij

Ik heb al een half uur last van mijn buik. De krampen worden steeds heviger. R. en ik verlaten de groep om op zoek te gaan naar een toilet. Het is een enorme opluchting als we die gevonden hebben.
R. belt E. om te vragen waar ze zijn. We sluiten weer aan bij de touwslager. Hier heb ik een paar jaar geleden een uur lang gestaan en een privé-uitleg gekregen over hoe alles werkt. Het blijft interessant.
De touwslager vertelt dat bijna alle touwen hier bedoeld zijn voor schepen. We vinden de touwen heerlijk ruiken. Hij legt uit dat getaand touw donkerder is dan ongetaand touw. Getaand touw wordt gekookt in grote tonnen met o.a. eikenschors. Daardoor is het beter bestand tegen zeewater en rot het minder snel. We voelen touwen en basismaterialen, zoals vlas en katoen.
Hij vertelt dat dit een 120 jaar oude mobiele lijnbaan is, die van een steigerbouwer was die zijn eigen touw maakte. Dit is een korte baan: je kunt een springtouw van zo’n 3,5 meter maken. Een echte lijnbaan kon 300 meter lang zijn en lag meestal aan de rand van de stad. De lijntrekker liep kilometers per dag. Op zijn borst droeg hij een haak met touwgaren, dat afgaf. Daarom werden ze geelbuiken genoemd.
R. ziet op een bord dat je hier touwen kunt kopen, zoals een springtouw (kort of lang), een waslijn (klein, middel of groot) en een Keesje apenknuistje. We vragen wat dat laatste is. De touwslager laat ons er eentje voelen. Het is een grote bal of knoop aan het uiteinde van een touw, die lijkt op een kleine knoop of vuist. Hij wordt gemaakt door het touw op een bepaalde manier om zichzelf heen te slaan. In de scheepvaart wordt zo’n apenknuistje aan het uiteinde van een werplijn bevestigd, zodat het touw makkelijker van het schip naar de wal gegooid kan worden.
Ik herken ze. Het zijn de touwballen om aan deurkrukken of lades te hangen — handig voor hulphonden van mensen in een rolstoel. R. kent het apenknuistje van de houtje-touwtjejassen.
Terwijl de touwslager een springtouw maakt met een kind, probeer ik de groep uit te leggen hoe het proces werkt. De lijnbaan voor ons is een paar meter lang. Aan de ene kant zitten vier haken op een vast stuk en aan de andere kant is een wiel met daaraan ook vier haken. De touwslager neemt een koord, maakt het aan de ene kant vast aan een haak, loopt naar de andere kant, slaat het om een haak daar, en gaat weer terug. Zo gaat hij heen en weer, totdat er genoeg koorden zijn om tot één touw te draaien.
Dan begint het draaien aan het rad. De raddraaier draait de haken rond, waardoor de koorden om elkaar heen draaien. Om te voorkomen dat het te snel gaat of er knopen ontstaan, wordt een zwaar stuk gereedschap gebruikt: de klos. Die houdt de draden netjes bij elkaar en schuift langzaam van de ene kant van de baan naar de andere. Degene die de klos vasthoudt, moest vroeger regelmatig een flink stuk meelopen — hij was letterlijk de klos.
Door het draaien van het wiel worden de koorden steeds strakker om elkaar heen getrokken. Daardoor wordt het uiteindelijke touw altijd korter dan de baan waarop het is gemaakt. De touwslager vertelt dat Michiel de Ruyter raddraaier is geweest.
Ik word ineens afgeleid door een scherp, ratelend geluid. Een paar kinderen spelen met ouderwets speelgoed: een metalen hoepel met een stokje. Ze rennen er mee heen en weer over de keien. R. zegt dat ze op het pleintje meer oud speelgoed hebben, zoals een springtouw, stokpaardje en diabolo. Ik raak overprikkeld door het harde gerammel van de hoepel op de stenen en ben blij als we weer doorlopen.

Bronstijd boerderij

Het is inmiddels 14.15 uur. We lopen richting de aanlegplaats van de veerboot. We passeren kalkovens en een speelplek voor kinderen met picknicktafels. Op een stukje water kan geroeid worden.
We lopen voorbij de aanlegplaats. Het lijkt alsof hier niets meer is. Het pad tussen de bomen en struiken lijkt eindeloos. Plotseling komen we op een open plek met daarop de bronstijdboerderij en een kleine moestuin.
Ik heb gehoord dat deze boerderij is nagebouwd op basis van archeologische opgravingen in West-Friesland. Tijdens een excursie met Stichting KUBES naar het Huis van Hilde in Castricum heb ik een model van zo’n boerderij gevoeld. Daar hoorde ik dat er in het Zuiderzeemuseum een reconstructie stond.
R. laat me het gebouw van buiten voelen. Ik ben verbaasd dat het rieten dak al begint onder de hoogte van mijn heup. Aan een van de uiteinden gaan we naar binnen, door een deur van hout en dierenhuiden. We kunnen niet ver naar binnen. R. vertelt dat er bankjes met schapenvachten staan en dat er binnen een vuurtje is gestookt. De geur van schapen, hout en gedoofd vuur hangt nog in de lucht.
Buiten zien we naast de boerderij een afdakje met boomstammen om op te zitten: een soort picknickplek. R. leest op een bord dat dit gebied al rond 1600 voor Christus bewoond was. In die tijd was het een waterrijk waddenlandschap. Ca. 300 jaar later vestigden mensen zich op de hoger gelegen zandruggen die door de zee waren gevormd: de strandwallen.
De boeren uit de bronstijd maakten gebruik van wat de natuur te bieden had. Ze leefden van jacht en veeteelt, en op de drooggevallen stukken grond verbouwden ze graan. Met eenvoudige werktuigen, zoals een eergetouw (=een vroege vorm van de ploeg) bewerkten ze hun akkers.
Op den duur produceerden ze genoeg vlas en vlees om van te leven en om te ruilen. Zo kwamen er goederen uit verre streken binnen, zoals graniet en brons uit Zuid-Engeland, en lijnolie, zout en huiden uit Bohemen. Sommige boeren dreven zoveel handel dat ze kooplieden werden, terwijl anderen zich specialiseerden in een ambacht, bv. pottenbakker, bronssmid of wagenmaker.
Aan de zijkant van de boerderij zit nog een deur, waardoor we naar binnen gaan. R. ziet visfuiken aan het plafond hangen. Er staan weinig meubels. Verder hangen er touwen met daaraan bloemen of kruiden om te drogen. We staan nu voor een dicht hek dat is gevlochten van takken. Achter dit hek sliepen vroeger de schapen. In die tijd leefden mensen en dieren in hetzelfde gebouw. In de winter was dat extra fijn, omdat het voor extra warmte zorgde.
De muren zijn van leem en ca. 20 cm dik. Het is er stoffig, en ik grijp regelmatig in spinnenwebben. Als we weer buiten staan, wijst R. me op een raam naast de deur waar we net doorheen gingen. Het raam is afgedicht met huiden. Die werden opgerold als men het raam open wilde zetten.
In de moestuin worden de plantjes beschermd tegen vogels met houten rekjes die als kooitjes zijn geplaatst. Er staan ook vogelverschrikkers. In de tuin groeit o.a. vlas en lijnzaad.

Visroken in Monnickendam

We lopen terug richting het dichter bebouwde deel van het museum. Plotseling horen we muziek. R. leest een bord voor met de titel Waar rook is, is vis.
De meeste mannen, vrouwen en kinderen in Monnickendam werkten in de visverwerking en de rokerijen. Zij regen vis aan lange metalen pennen, die daarna in de rookkasten werden gehangen. De rook ontstond door vuur te smoren met zaagsel. Dat gaf een typische geur en smaak aan de vis en zorgde dat de vis langer houdbaar bleef.
Aan het plafond van dit huis hangen vissen aan stokjes, die door de koppen zijn gestoken — precies zoals dat vroeger ging.
Het is 14.40 uur. Iemand uit ons groepje wil even zitten en iets drinken. R. en ik vinden dat zonde van de korte tijd die we hebben. We besluiten met ons tweeën verder te lopen. Een van de deelnemers geeft de tip om te zoeken naar het kapperszaakje uit Zwaag.

Rijk vissershuis uit Zoutkamp

R. en ik passeren weer het pleintje met het oude speelgoed. Bij een huis stopt R. en leest een bord voor: De rijke visser.
Volgens het bord is aan de geglazuurde dakpannen en brede kroonlijst van dit huis te zien dat de visser rijk was. In Zoutkamp (een dorp in de provincie Groningen) betekende zo een kroonlijst dat de bewoner een eigen schip bezat. De geglazuurde pannen zijn mooier en praktischer dan gewone pannen: regenwater loopt er sneller af, waardoor het water minder snel vervuilt in de regenton.
Het dak van het huis is verhoogd om ruimte te maken voor een zolder. De schoorstenen met hun opvallende metselwerk en het kleine dakje bovenop zijn typisch voor Zoutkamp. Het originele interieur is niet bewaard gebleven; het museum heeft het huis ingericht als schoenmakerij.
We zoeken op internet op wat een kroonlijst is. Het is de rand bovenaan een gevel, net onder het dak, die vaak versierd is. R. merkt op dat de rest van de huizen in dit straatje zulke brede kroonlijsten niet hebben. Het is bovendien een vrij groot huis vergeleken met de buren. Ze wijst me op het lage hek dat om het huis heen staat.
Over de hoge drempel stappen we de hal binnen. De deur is breed. Er is niemand aanwezig. Je kunt alleen bij de schoenmakersruimte binnenkijken, en dat is achter een hek; de andere kamers zitten op slot. Het huis is via zowel de voor- als achterdeur toegankelijk.
R. vertelt dat het een ruime kamer is met veel ramen. Tegen de wand staat een Friese staanderklok met gewichten. Langs de muren staan rekken vol houten mallen om schoenen mee te vormen. Rechts, aan de voorkant van het huis, staat een tafel met servies. Voor het raam liggen de gereedschappen van de schoenmaker, en er staat een handnaaimachine in een houten koffer. In de kamer staat een houtkachel waarop je kunt koken. Op de vloer liggen ouderwetse lopers in bordeauxrood met een klein motiefje.
We verlaten het huis weer en slaan rechtsaf. We lopen om het rijke huis heen en komen in de bij behorende bloemen- en moestuin. Er staat een ouderwets houten wasrek, waarover de was werd gehangen. R. vertelt dat je deze wasrekken in de straatjes ziet staan vol wasgoed.
Als we de tuin uitlopen wijst R., op haken aan de muur van het huis. Daaraan hingen ze het wasrek als het niet werd gebruikt.

Woonhuis uit Zoutkamp

R. ziet opnieuw een bord: Turf te koop.
Het bord legt uit dat in Zoutkamp mensen hun turf bij dit huis kochten van Berendje Frik, de moeder van turfschipper Marten. Zij verkocht de turf vanuit de schuur achter haar huis aan de Dorpsstraat. Rond 1875 was gedroogd veen de belangrijkste brandstof voor kachels. Haar zoon haalde de turf met zijn platbodem uit de veenmoerassen van Drenthe en Groningen.
Ondertussen horen we de voddenman door de straten achter ons lopen.

Het Kippenhok uit Vollenhove

Als we verder lopen, komen we langs het huis van visser Frederik Croes. Hij woonde eind 19e eeuw met zijn vrouw Wilhelmina en hun kinderen in de vissersbuurt van Vollenhove (een dorp in de buurt van Steenwijk). Het huis stond aan de rand van het dorp, met uitzicht over de Zuiderzee.
Bijzonder aan dit huis is dat het een bank aan de gevel had die dienstdeed als kippenhok. Het was een ideale plek om even te zitten en een praatje te maken met de buren.
Croes werd bekend doordat hij in de winter van 1849 met dorpsgenoten drie vissers uit Durgerdam (een dorpje vlak bij Amsterdam) redde, die al twee weken op een ijsschots in de Zuiderzee dreven.
Binnen in het huis is een kleine tentoonstelling ingericht over dit avontuur. We besluiten door te lopen.

Huisvrouw uit Urk

Op de Urker bult ruiken we de geur van groene zeep. In een tuin langs de straat staan meerdere wastobbes opgesteld. R. vraagt aan de bewoonster of ze ons er iets over kan vertellen. De vrouw lacht en zegt dat ze de tobbes vandaag, op zaterdag, niet gebruikt.
Ze legt uit dat ze huisvrouw is en dat haar man visser is. Voor de “omwas” – de afwas – gebruikt ze géén groene zeep. ‘Daarvan wordt alles zo glad,’ zegt ze, ‘dan glijdt het servies uit je handen.’ In plaats daarvan gebruikt ze Sunlight-zeep.
R. laat me de tobbes voelen: ze hangen aan een hekje om de tuin. De vrouw vertelt dat ze op zaterdag allemaal om de beurt in de tobbe gaan voor het wekelijkse bad. Het water wordt daarna niet weggegooid. ‘Daarin gaat het vuile goed van mijn zoon,’ zegt ze. ‘Hij is doordeweeks op zee, dus dat spul is altijd extra smerig.’
R. vertelt dat haar moeder vroeger een ketel op het vuur had staan met een speciale wasknijper. De vrouw knikt en loopt naar binnen. Even later komt ze terug met een lange houten tang, waarmee ze de hete was uit de kookpot kan halen. Ze laat me een grote houten lepel voelen, waarmee vroeger door de was werd geroerd. Wat de wasmachine nu doet, deden ze toen met de hand.
Ze legt uit dat er bij het wassen meerdere teilen worden gebruikt. In een houten tobbe zit sop met groene zeep, daarnaast staan metalen teilen met spoelwater.
In de houten tobbe moet altijd een laagje water blijven staan. ‘Hout krimpt als het uitdroogt,’ zegt ze. ‘Dan gaat de tobbe lekken.’
Ze wijst naar het huis aan de overkant. ‘De buurvrouw hoeft zich daarover geen zorgen te maken. Zij is weduwe en verdient wat bij door andermans was te doen. Haar tobbe droogt nooit uit, want zij wast zes dagen in de week.’
Ik vraag waar het gebruik van ‘maandag wasdag’ vandaan komt. De vrouw legt uit: ‘Op zaterdag komen de mannen en jongens terug van zee, met al hun vuile goed. Zondag is de rustdag, dus maandag is de dag om alles te wassen. Dinsdag soms een beetje en op woensdag moet alles weer schoon in de kast. Dat is de dag om sokken te stoppen of scheuren te herstellen.’
Strijken doet ze nauwelijks. ‘Ik zit op de was,’ zegt ze met een glimlach. ‘Als je het mooi opvouwt en er even op gaat zitten, wordt het vanzelf glad. Mijn man mag dat niet, want die heeft altijd vuil aan z’n broek.’
We bedanken haar voor haar uitleg en lopen weer verder.

Klederdracht uit Urk

We lopen door een smal steegje en gaan onder een visnet door. Aan het eind komen we bij het huis van de weduwe. R. laat me een waslijn voelen. Ze vertelt dat er vroeger een lijnstok werd gebruikt: een lange houten stok waarmee je de waslijn omhoogduwde zodat het wasgoed niet over de grond sleepte. Als de was droog was, liet je de lijn weer zakken. R. ziet van alles hangen o.a. lakens en grote onderbroeken.
Het is pauzetijd voor de ‘bewoners’. In een van de huisjes drinken ze thee. De huisvrouw van net komt klossend op klompen de straat in gelopen.
Ik vraag R. wat ze aan heeft. Ze beschrijft een paarse onderrok, daarover een zwarte rok en daarboven een paars-blauw gestreept schort. Haar bovenkleding bestaat uit een mouwloos hesje over een zwarte blouse. Om haar hals draagt ze een ketting van rode granaatstenen.
De vrouw hoort ons praten en zegt vriendelijk dat ik haar kleding best even mag voelen. Dat wil ik graag – oude klederdracht vind ik altijd fascinerend.
Ze vertelt dat ze Urkerdracht draagt. Het mouwloze hesje heet een kraplap.
Dit is een stijve, met stof overtrokken hals- en schouderbedekking die zowel het lijfje versiert als beschermt tegen vuil. Bij Urker vrouwen is het een vierkant of rechthoekig stuk stof dat met haakjes of linten op de borst wordt vastgemaakt. In de kraplap zitten ballijnen.
Ze laat me voelen dat er onder haar oksels stukjes zeemleer zijn genaaid, bedoeld om zweet op te vangen. Onder de kraplap draagt ze een blouse met mouwen van glimmend zwart satijn waar een subtiel bloemetje is ingeweven. Dat patroon heeft betekenis: zolang haar man leeft, mag ze glanzende mouwen dragen met een motiefje. Is ze in de rouw, dan zijn de mouwen mat en zonder versiering.
Op haar hoofd draagt ze een ondermuts, die helemaal over haar haar valt. Alleen haar pony komt eronder vandaan; de rest van het haar is opgestoken in een knot. Daarover draagt ze een boesel – dat is een smal doekje of halsdoek dat de overgang vormt tussen de kraplap en het hoofddeksel en tegelijk de hals bedekt.
Op zondag draagt ze een andere dracht. Dan zet ze een hul op, een kanten hoofdtooi met oorijzers die met spelden wordt vastgezet. Hoe meer kant, hoe welgestelder de vrouw. De oorijzers zijn van metaal: goud voor de rijkeren, zilver voor wie het minder breed heeft.
Ook haar kraplap is op zondag anders: wit met zwart borduursel in de vorm van een levensboom. Dan draagt ze bovendien een zwarte zijden boesel en leren schoenen. Nu heeft ze trippen aan – houten klompen met een leren bandje over de wreef.
Ze laat me voelen dat ze drie rokken draagt: een onderrok, een tussenrok en een bovenrok, met daarover een schort.
We bedanken haar nogmaals voor haar uitleg en lopen verder.

Het Volkskoffiehuys en de briefsteller van Urk

Een paar huizen verder stoppen we bij het Volkskoffiehuys. Een man, Lubbert Hoefnagel, vertelt dat de mannen de hele week op zee zitten. Op zaterdagmiddag, als de wind gunstig is, komen ze weer thuis. ’s Avonds komen ze bij hem langs voor een kop koffie en een borreltje. Dan zitten er zo’n veertien mannen bij hem binnen. Er zijn te weinig stoelen, dus leggen ze een lange plank over een paar stoelen, zodat er een provisorische bank ontstaat.
Hij nodigt ons uit om binnen te komen. R. ziet een oud petroleumstelletje staan. We ruiken de geur van petroleum. We staan nu in een kleine ruimte.
Hij vertelt dat hij de schrijver van Urk is. Hij schrijft brieven voor de burgemeester, de mededelingen voor het prikbord en moeilijke brieven voor de Urkers. De meesten kunnen lezen en schrijven, maar het schrijven beperkt zich meestal tot eenvoudige teksten. Lubbert telt ook de vis bij de visafslag en doet nog allerlei andere klusjes.
R. laat me het lage plafond voelen. De man vertelt dat de nieuwe bouwvoorschriften eisen dat er hoger wordt gebouwd, maar dat ze op Urk het geld niet hebben om dat aan te passen.
R. merkt op dat ze veel okergeel, bruin en bordeauxrood ziet. Voor ons staat een tafel met een dienblad.
De man leidt ons verder het huis in, naar een grotere ruimte waar hij zijn koffiehuis heeft. Hier is het ruimer. De jonge mannen zitten aan de ene kant, de ouderen aan de andere. In deze ruimte bevindt zich ook zijn bedstee.
R. vertelt dat de man een gilet draagt, net als de voddenman eerder, maar deze is van fluweelachtige stof. Volgens de man is dit burgerdracht en geen Urkerdracht. Aan een ketting draagt hij een horloge.
R. legt uit dat dit soort vesten een gepaspelleerd zakje hebben. Dat is een nette, rechthoekige zakopening die is afgewerkt met smalle stroken stof, de zogeheten paspels. Die zorgen voor een strakke en verzorgde rand rondom de opening. Achter de paspels zit de eigenlijke zak, die aan de binnenkant van het kledingstuk is bevestigd. Je ziet gepaspelleerde zakjes vaak bij colberts, pantalons of nette jassen, soms met een klepje erboven.
Ze vertelt dat gilets aan de voorkant vaak in een punt toelopen. Lubbert draagt een keil, een soort hemd met een opstaand kraagje. In zijn broekzak zit een rode zakdoek.
Hij vraagt mijn naam en leidt ons terug naar de eerste ruimte. Dan pakt hij een kroontjespen en doopt die in een inktpot. Ik hoor het krassen van de pen over het papier.
R. fluistert dat hij prachtig schrijft, met sierlijke krullen. Ze leest het voor.

 

Foto van een briefje op een houten tafel. Op het briefje staat in een krullerig handschrift:‘Lieve Debby, Fijn dat jij vandaag bij ons op Urk bent. Lubbert — Urk, 30 augustus 1905.’
Gemaakt door Debby op 23-10-2025.

De man van de Urker dame van daarnet komt Lubbert waarschuwen dat de thee koud wordt. Lubbert waarschuwt ons op zijn beurt dat we de inkt even goed moeten laten drogen.
Buiten laat R. me het papiertje voelen: stevig, wit met een bruinig tintje, en met een mooi gekarteld randje. De voddenman had het eerder over papier maken, en we vragen ons af of dit misschien hetzelfde papier is.

Straatnaam onbekend

We lopen verder. Het is nu 15.25 uur en we hebben nog een half uur voordat we verzamelen.
R. komt opnieuw een bord tegen: Straatnaam onbekend.
Op het bord staat dat de straten op Urk vroeger geen namen hadden. Bijna elk huis had een erf met een ingang aan de voor- en de achterkant. Welke deur was dan de voordeur? Daarom werd Urk ingedeeld in wijken, en kreeg elk huis een nummer. Op het deurkozijn van dit huis zie je dat dit nummer 33 uit wijk 4 is.
Rond 1900 zagen straten er anders uit dan nu. De straten waren onverhard en er liep een open riool doorheen. Door de zilte zeewind die over de Urker bult waaide, groeide er nauwelijks groen. Alleen lage boompjes tussen de erven hielden het vol. Drinkwater haalden de Urkers uit waterputten die verspreid over het dorp lagen. Veel huizen hadden bovendien een houten goot met een bak eronder om regenwater op te vangen.

Dijkmagazijn uit Andijk

Als we verder lopen, komen we bij een nieuwe schutting. R. laat me voelen dat deze is gemaakt van riet en houten plankjes.
We lopen achter de schoenmaker langs en komen weer op de dijk uit, bij het tentje waar we de rest van de groep achterlieten.
Na het oversteken van een klein bruggetje stoppen we bij een laag huisje. R. leest een bord voor. Ze moet op haar tenen staan om het te kunnen zien, omdat het bord vrij hoog hangt.
Het beschermen van de dijken was van levensbelang. Daarom stonden er langs de Zuiderzeedijk magazijnen zoals deze. Hierin lagen materialen die nodig waren voor onderhoud: van kruiwagens en bijlen tot zeilen en pikhouwelen. Er is een aparte ruimte waarin het dijkbestuur vergaderde, of waarin bewoners konden schuilen bij storm.
In 1916 leidde een stormvloed en hevige regen tot een watersnoodramp. Dijken braken door en vooral Marken werd zwaar getroffen. Houten huizen waren niet bestand tegen de kracht van het water en tientallen mensen verdronken. Het dijkmagazijn in Andijk hield gelukkig net stand.
We praten erover dat deze watersnoodramp nauwelijks op school wordt behandeld.
Binnen zien we een kruiwagen, gewichten en een kar met jute zakken.

Kapsalon uit Zwaag

Als we verder lopen, ziet R. een houten platbodem op het water liggen. Via een trappetje, een bruggetje en weer een trap steken we het water over.
We komen bij de kapper. De ingang heeft opnieuw zo’n hoge stoep. R. ziet weer een bord.
Bij de verplaatsing van dit huis naar het Zuiderzeemuseum bleek het in 1845 te zijn opgebouwd uit onderdelen van een groot 18e-eeuws huis uit Enkhuizen. Veel van die huizen waren slecht onderhouden omdat de bewoners arm waren. Afbreken was daarom de enige optie. De materialen waren vaak nog prima te gebruiken.
Monumentale deurposten en een mooie stoep vormden een perfecte entree van het echtpaar Pistoor, dat in dit huis in Zwaag in 1935 een kapperszaak begon in de zijkamer.
Binnen ruikt het heerlijk. Ook hier is niemand aanwezig. Voor de ingang naar de salon staat een hekje. R. beschrijft wat ze ziet:
Rechts van ons staan twee kappersstoelen. Aan de hoofdleuning zit een houder met een rol papier. Ook zijn er parfumverstuivers te zien en spiegels hangen aan de wand. Verder staan er kastjes met potjes. Op de werktafels liggen attributen, zoals scheerkwasten en kammen.
Links, bij het raam, staat een bak voor de kapper om zijn handen te wassen en om de haren van de klant te spoelen. Daarnaast staat een kast met kleine laatjes. Er hangt een klok, er staat een thermosfles en er staat een kapstok met een jas. Op een rond tafeltje staan diverse flessen lotions.
Het is een grote salon en het plafond is lichtgroen. Ik vraag me af of hier af en toe een kapper actief is.

Afsluiting

Het is nu echt tijd om naar de verzamellocatie te gaan. Onderweg passeren we de mandenvlechter. We verzamelen op het terras van het restaurant waar we hebben geluncht. Als we compleet zijn lopen we naar de uitgang.
Daar wachten we op de langzamere wandelaars. Als we compleet zijn beginnen we de wandeling terug naar het station. We slaan linksaf en lopen een stuk rechtdoor. Onderweg passeren we aan de rechterkant het Schathuys. Dit is het binnendeel van het Zuiderzeemuseum. We volgen een kademuur die links van ons is. Ik hoor de veerboot langskomen. Na een tijdje slaan we rechtsaf en lopen over een witte ophaalbrug. Ik word gebeld door de taxi. Hij staat al bij het station. Ik was er al bang voor. We zijn wat later dan verwacht. De chauffeur zegt dat het geen probleem is en dat hij op me wacht. R. en ik maken wat meer vaart en passeren de mensen voor ons. We lopen onder de Drommedaris door. We zijn alweer bij de oude haven, waar we vanmorgen op de boot stapten. Voor het station staat mijn taxi al te wachten. Snel bedank ik R. en stap ik in. Ik plof neer. Het was weer een heerlijke dag in dit geweldige museum.

Wat vond ik ervan?

Ik heb weer een heerlijke dag gehad in het Zuiderzeemuseum! Het buitenmuseum blijft mijn absolute favoriet, ook al ben ik er al meerdere keren geweest. Wat ik zo geweldig vind, is dat je er de geschiedenis beleeft met al je zintuigen: je ruikt, hoort en voelt hoe het leven aan de Zuiderzee vroeger was.
Het personeel maakt de ervaring extra bijzonder. Ze doen dit werk met zoveel enthousiasme en passie en vertellen je graag de mooiste verhalen. Elke keer ontdek ik weer iets nieuws, leer ik nieuwe feitjes en kom ik bijzondere details tegen die ik bij eerdere bezoeken nog niet had opgemerkt.
Het museum voelt levendig en authentiek, alsof je echt een stap terug in de tijd zet. Zelfs na meerdere bezoeken blijft het fascinerend en inspirerend. Voor mij is het Zuiderzeemuseum een plek waar ik keer op keer verwonderd en verrast word.
Elke keer opnieuw voelt het als een kleine reis door de geschiedenis die ik niet wil missen.

Meer weten?

Wil je meer weten over Stichting KUBES of wil je eens mee met een van hun activiteiten? Klik dan hier om naar hun website te gaan.
Wil je meer weten over het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen of wil je er eens heen? Klik dan hier om naar hun website te gaan.

Nooit meer een Tikje Anders blog missen?

Volg Tikje Anders op social media en mis geen enkele blogupdate. Je vindt me op Facebook, Instagram en LinkedIn!

Wil je een seintje krijgen als er een nieuwe blogpost is? Vul dan je e-mailadres in onderaan deze pagina en klik op ‘Abonneren’ om updates rechtstreeks in je mailbox te ontvangen. Of volg Tikje Anders via de WhatsApp-community ‘Oog voor Elkaar’.

Deel dit bericht met je netwerk!


Ontdek meer van Tikje Anders

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

1 gedachte over “Impressie > Excursie Zuiderzeemuseum met Stichting KUBES (Augustus 2025)

  1. Wat goed omschreven Debby. Het is ook een mooi museum waar je zeker vaker naar toe zult gaan.
    Veel te zien en te voelen en inderdaad je ruikt het ook.

Laat hier jouw reactie achter op bovenstaande blog